Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Is beuzelwerk en niets dan dat, Die bonte pronk van hof en steden; Wat zij ze dor, die nietigheden!

Ze hebben bloem noch blad. Wat is dat harde marmer koud! Wat is het arm, dat goud!

Maar kom naar buiten, wilt ge zien Wat rijk en kostbaar is te noemen! Langs berg en dalen wassen bloemen En vruchten bovendien: Gij vindt er wondren zonder tal En zegen overal.

De pracht, die hof en steden tooit, Is nietig werk van menschenhanden; De pracht van wouden en waranden Heeft God er uitgestrooid: Waar, denkt gij, is dan rijker schat, Op 't land of in de stad ?

Sluiten