Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als de weerglans zijner Majesteit, aan zijne regterhand staat en schittert. Althans van af den jare 1854 — ik herhaal het — is de verhouding tusschen Paus en Kerk geene andere, zoodat, indien ik wel zie, het dogma der Pausselijke Onfeilbaarheid, indien het doorgang ;mogt hebben, 16 jaren te laat komt, en er tusschen dat en het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis van Maria alzoo een hevig anachronisme zal blijven heerschen. 't Laatste zou niet bestaan, indien de Paus voor 16 jaren door een Algemeen Concilie had laten decreteren en dogmatiseren, dat hij Onfeilbaar was, en hij dan nu gedaan hadde in den jare 1870, wat door hem in 1854 is verrigt — dan toch had inderdaad het dogma der 'Onbevlekte Ontvangenis al dadelijk verbindende kracht gehad voor de gansche Kerk, als door den Onfeilbaren Paus gedecreteerd. Wat is nu echter geschied? Op den 8sten December 1854 is de Onbevlekte Ontvangenis van Maria tot een dogma verheven, of verklaard een dogma te zijn.... door de Kerk? Neen, door Pius IX! Maar dan toch na de Kerk, na de bisschoppen gehoord te hebben? Neen, alleen na eene bijéénkomst en beraadslaging met de bisschoppen zijner eigene diocaese. — Eene zonderlinge leemte blijft hier dus altijd bestaan — eene leemte, die den Eerw. Heer Van Beek, Pastoor bij de Bisschoppelijke Klerezy te Dordrecht regt gaf om in zijne brochure: Beschouwingen over de Pausselijke Onfeilbaarheid blz. 45, tegenover den Roomsch-Catholieken priester Willems te betuigen: „De verklaring van de onbevlekte ontvangenis op 8 December 1854 te Rome gegeven, is geene verklaring van een algemeen Concilie, doch drukt alleen de persoonlijke meening uit van Z, H. Pius IX, zooals men in de gelegenheid geweest is, zelfs uit den mond van sommige medebroeders des eerw. heeren Willems te vernemen, al was het buitendien niet van algemeene bekendheid. Hoevelen nu, aan den drang van hun gemoed toegevende, die meening mogen volgen, en hoevele anderen het, om verschillende redenen, nuttig of noodig geacht mogen hebben, zich niet daartegen te verklaren , maar zich te gelaten, alsof zij dit ook geloofden; —

Sluiten