Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eenmaal ontwaakte booze lust overwint den afkeer van de verwantschap met den moordenaar (Gen. VI: 1—7). Daar spreekt de almagtige aanklagt in het regtvaardig oordeel: «Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is." Satans zege werd echter door de genade verstoord. Zijne boosheid treedt vooral in het boek job te voorschijn en doet ons eenen blik in eene hoogere wereldorde slaan, met welke ons lot zamenhangt.

De zondvloed en de verkorting van den tijd der verzoeking (Matth. XXIV : 22) of des aardschen levens, waren maatregelen van Goddelijke genade, tot redding en bewaring der zielen.

Iets grooters was voorbehouden. Maar het gedichtset van 's menschen hart, boos van zijne jeugd aan, verhinderde en verhindert altijd de-volle werking der genade, en treedt de Goddelijke ontferming in den weg. Reeds onder noachs kinderen komt de kiem van het booze, het onbeschaamde welgevallen in de zonde, te voorschijn (Gen. VIII: 21; IX : 21'—27). De Geest Gods spreekt dan'door den mond van den Patriarch het lot der drie stammen van het menschelijk geslacht uit

Kanaün wandelt in de moederlijke voetstappen van kaïn, en verlaagt zich tot dierendienst en Fetischdienst; maar ook japhets geslacht vergoodt zijne stamouders, en eert het zondige schepsel in de thans nog gevierde en door ons bij Naam-Christenen, veel bezongen Mythologie.

Alleen in sems geslacht wordt de oorkonde bewaard, waarin' de Goddelijke ontferming des Heiligen Geestes, de geschiedenis der menschheid, het raadsbesluit Gods tot haar welzijn, en de belofte van reddende genade, nedergelegd heeft. Wel blijft ook sems geslacht uiet rein, maar de Schrift behoedt het voor geheelen afval en de genade kan uit hetzelve zich de werktuigen kiezen.

Deze verkiezing, eene verkiezing van genade zoo als de verkiezing van noach, vindt in abraham een bruikbaar werktuig, om de tweede grondzuil ter bevestiging van de barmhartigheid te zijn. Werd in noach de genade openbaar, zoo werd in abraham het geloof gegrond, dat de genade aangrijpt!

Sluiten