Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en lijdzaamheid gesmeekt hebben, worden niet verdwaasd, noch door de krachten, teekeuen noch wonderen, welke door Satan gewerkt worden; maar werden deze dagen om de uitverkorenen niet verkort, dan zouden eindelijk ook deze aan geloof en lijdzaamheid schipbreuk lijden, en geen mensch zalig worden. Wij zullen dit geloof zeer geregtvaardigd vinden, als wij op vers twaalf van het twaalfde Hoofdstuk dezer Openbaring acht geven. Sedert christus zege op Golgotha is Satan uitgestooten en de hemel juicht. Hg kan niet meer met de kinderen Gods voor den Heere verschijnen, en de broeders der Engelen verklagen! Hij is sedert op de aarde afgekomen, en heeft grooten toorn, wetende dat hij eenen kleinen tijd heeft.

Hij doet echter zijnen mond slechts open om Gods-lasteringen, te bpreken. Alle woorden van den Antichrist sinds zijne verwonding , zijn gruwelijke lasteringen tegen God, in Wiens plaats hij zich tusschen God en menschen, als Middelaar, dus als een valschen christus, Anti-Cbristus indringt. Hij lastert den naam Gods, daar hij zijn Heilig Woord lastert, het moeijelijk te verstaan, onvolkomen en dubbelzinnig verklaart, het lezen van hetzelve als schadelijk verbiedt. Hij lastert den tabernakel Gods, vloekt diegenen, welke daar uit- en ingaan, en dwingt de menschen in zijnen afgodstempel heil te zoeken. Hij lastert ook de ootmoedige, door christus verdienste en bloed verloste en zalig geworden Heiligen, die in den hemel wonen, daar hij hunne namen, ja, hun rustend gebeente tol tooverij en afgoderij misbruikt en de gruwelijke afgodsbeelden op zijne altaren met de namen der Moeder van jezus eu Zijner geloovigen versiert, om des te gemakkelijker de arme menschen te verleiden-

Daarmede vergenoegt zich echter, volgens vers zeven, de Antichrist niet. Hij mishandelt, verblindt, berooft, beangstigt de menigte die hij in zijne afgoderijen en lasteringen verstrikt heeft. Beangst dwalen zij in geheele scharen van bet eene afgodsbeeld tot het andere, offeren voor zich en de hunnen, wat zij aan aardsche goederen bezitten, om zich voor het vuur, dat hen na hunnen dood opneemt, te bewaren, of de hunnen daaruit te verlossen. Zoo leven zij onder

Sluiten