Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend, niets geschiedt er in de gansche schepping builen hetgeen Hij éénmaal in zijnen raad bepaald heeft, dat geschieden zou; en niet alleen met de schepping in het algemeen, maar met ieder deel in bet bijzonder, ook met iederen mensch. Hij weet het en heeft het reeds van eeuwigheid geweten en bepaald wie zalig zal worden en wie niet. Of meent ge, dat het niet alzoo is, dal de Heere het niet zou geweten hebben? Dan moet het zalig of niet-zalig worden van den eigen en vrijen wil van den nieligen, kortzigtigen en bedorven mensch zeiven afhankelijk zijn — van dien mensch, van wien geschreven staat, dat hij is verduisterd in het verstand en vervreemd van de kennis van God en zijne zalige dienst, en die een hart in zich omdraagt, waarvan de Heer zelf het getuigenis aflegt, dat deszelfs gedichtsel boos is van zijne jeugd af aan. Maar wie zal dan zalig worden ? dan immers kon het gansche plan Gods , met betrekking lot der zondaren verlossing, verijdeld zijn. Maar neen 1 de Heere weet het; en is Hij de Onveranderlijke, bij wien geene schaduw van omkeering is, Hij moet het dan ook van eeuwigheid geweten hebben, niet maar in het algemeen, dat er zondaren behouden zouden worden, onbepaald welke, maar dan moeten de personen, die in dat plan der verlossing begrepen zijn, bij Hem bekend zijn geweest, ja, dan moet Hij zelf, daar de mensch, door de zonde van Hem vrijwillig en moedwillig afgedwaald, naar Hem, zijnen Maker en Weldoener, zijnen Koning en Wetgever, nimmer zou hebben omgezien, de personen zelve tol verkrijging en in bezitstelling van die zaligheid hebben verordineerd of voorbestemd, want Hij, de Heer, kent degenen, die de zijnen zijn.

En wat is dit anders dan hetgeen de Apostel in de tekstwoorden den Christenen van Ephese onder het oog brengt? schrijvende: Gelijk Hij ons uilverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld. Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen.

Vóór de grondlegging der wereld — in de nimmer begonnen eeuwigheid , toen er nog geene opvolging van tijd was, er nog niets bestond van alles, wat Hij op den wenk zijner almagt heeft te voorschijn geroepen, eer de morgensterren te zamen vrolijk zongen en de engelen Gods juichten, terstond nadat Hij besloten had eene we-

Sluiten