Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was hij wegens zijn tranen bijna onmachtig om te spreken. Eindelijk barstte hij uit: met welk gemoed zal ik voor de hooge vierschaar van God verschijnen kunnen, die het heilig Evangelie van Gods Zoon, zuiverlijk en in oprechtheid, aan anderen geleerd heb, die sterker en standvastiger in deszelfs belijdenis zgn gebleven dan ik, zoodat velen van hen, mijn leer volgende, duizenden smarten, ja, zelfs den dood kloekmo├ędig hebben doorgestaan, daar ik, onstandvastig leeraar, ontvlucht ben, die, reeds tot zoo hoogen ouderdom gekomen, lang genoeg geleefd had! Dat ik, die voor geen dood meer moest vreezen, maar naar denzelven integendeel verlangd heb, met een schandelijke vlucht mij onttrokken en tegen het bevel des Heeren gehandeld heb, daar mij immers niets heerlijkers had kunnen gebeuren dan dat ik die hemelsche waarheden, welker kracht ik zoo dikwijls ondervonden heb, met het weinige oude bloed, dat mij nog overig is, bezegeld en bevestigd hadde.

Waarop de Koningin, gelijk zij zeer welsprekend was en zeer geoefend in de heilige letteren, hem vele dingen gezegd heeft, om zijn droefheid te matigen, hem met redenen en voorbeelden aantoonende, dat zulks met vele heilige mannen was gebeurd, die nu al met God heerschten; dat men ook nooit aan de goedheid en barmhartigheid van God moest wanhopen. Hetgeen door de aanzittende gasten bevestigd en aangedrongen zijnde, vond hij zich daardoor versterkt en zeide: derhalve is er niets meer overig dan dat ik van hier tot God ga, nadat ik, indien gij wil*, mijn testament zal gemaakt hebben, hetgeen ik niet lang mag uitstellen, wijl ik merk, dat ik door God geroepen word.

Daarna de oogen sterk op de Koningin houdende, zeide hij: ik stel u tot mijn erfgenaam; en den prediker M. Geerart (deze was Gerard Rosellus, welken de Koningin tot bisschop van Oleron had gemaakt en die velen in de heilige Waarheid had onderwezen) vermaak ik al mijn boeken en mijn kleederen. En alles, wat k nog daarenboven heb, laat ik den armen. Het overige beveel ik aan God.

Waarop de Koningin glimlachend zeide: wel, Jacob! wat zal ik dan van uw erfenis hebben ?

En hij antwoordde: de moeite, - mevrouw! om het aan de armen uit te deelen.

Het zij alzoo ! hernam de Koningin. Ik zweer, dat deze erfenis mij aangenamer is dan dat mijn broeder, de Koning van Frankrijk, mij tot zijn erfgenaam aangesteld hadde.

Sluiten