Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

valsche profeten, die te Bethel eveneens een school hadden, en die, opgehitst door hun afgodische leermeesters, den vromen Godsman bespotten.

Deze bespotting kan men in al haar ruimte opnemen, zoodat zij den profeet niet alleen met schimpende woorden gesmaad, maar ook door allerlei teekenen beleedigd hebben, als: het schudden met het hoofd, het uitsteken der lip, het wijzen met den vinger, het stuiven van het stof en andere smadelijke gebaren.

Doch de Heilige Geest laat ons niet in het onzekere, wat zij hebben uitgebraakt tegen den man Gods. Zij roepen hem na: „Kaalkop! ga op! Kaalkop! ga op!"

Gij weet, dat het haar ons tot dekking en verwarming des hoofds gegeven is, doch tevens hoe het bij sommige menschen spoedig uitvalt, eer zij zelfs een hoogen ouderdom bereikt hebben, waardoor hun schedel dan van haar ontbloot en kaal wordt.

Nu, zulk een kaal hoofd had ook de profeet Eliza, hetzij door ouderdom of door andere oorzaken. Hoe het zij, — dit klein gebrek gebruiken deze jongens alzoo tot een voorwerp hunner spotternij.

Maar wat willen ze zeggen, als zij hun smaadredenen verdubbelen: „Kaalkop! ga op! Kaalkop! ga op!"

Zij geven door deze verdubbeling hun bitterheid en giftigheid te kennen, als willende den waardigen Godsman toeduwen: ja, ja, wij meenen het wel; wij zijn niet beschroomd voor u; gij moogt het Wel hooren! *

Zij voegen er in hun boosheid bij: „Ga op!" — De stad Bethel was gelegen op een hoogte, die Eliza zoo aanstonds zou beklimmen. Zij willen zeggen: klim maar vrij naar onze stad, om onze school overhoop te werpen en de uwe uit te breiden; ga maar gerust voort; het zal u toch niet gelukken! Wat zijt gij meer dan een kaalkop ? Ga maar vrij op, kaalkop! Wij storen ons niet veel aan zulke profeten, zooals gij er een zijt!

Zeer vele zonden liepen er samen in dit snood bedrijf dezer kinderen.

Let men op hen, die Iret kwaad deden: het waren kleine jongens, wien het vooral past, om vriendelijk, zedig en nederig te zijn.

Slaan wij het oog op den persoon, dien zij beleedigen: het was een waardig Godsman, een groot profeet. Zoo zondigden zij tegen de beide tafelen der Goddelijke Wet; zij onteerden God zeiven, want wie zijn volk aanraakt, raakt zijn oogappel aan, Zach. 2: 8; en wie zijn gezanten verwerpt; verwerpt ook Hem, die hen gezonden

Sluiten