Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wil zihi? Neen, laat hem leeren wat hem later nuttig of aangenaam zijn kan; daar heb ik niets tegen; wij hebben er de middelen en de gelegenheid toe; doch laat hem blijven in den stand, waarin wij zijn, en onderwijs hem in uw vak en onder uw eigen oogen; dan hebben wij hoop, dat hij, met Gods hulp, onze steun in onzen ouderdom zal worden."

Vader zweeg, maar was toch niet overtuigd. Er bestond echter tegenover vaders plan met mij een groote hinderpaal, en dat was ik zelf; ik hield niets van leeren; het denkbeeld, om naar de academie te gaan en pret te maken, lachte mij zeer aan. Maar om daarvoor eerst een Latijnsche school te moeten bezoeken, dikke boeken door te lezen, vreemde, moeilijke talen aan te leeren en examens te moeten doen, neen, die opoffering was te groot. De Fransche school en alle lessen, daaraan verbonden, waren voor mij al erg genoeg. Ik was een groote, sterke jongen, hield veel van allerlei lichaamsoefeningen en was daarin ieder de baas. Maar het leeren ging niet van harte; de éénige les, die ik gaarne bezocht, was de gymnastiek, die zeer met mijn neiging strookte, en ook de dansles, ofschoon mijn eenvoudige, godvreezende moeder tot dit laatste maar zeer moeilijk en nog altijd tegen haar zin haar toestemming had gegeven. En niet ten onrechte, want daardoor kwam ik in aanraking met jongelieden, die later een verderfelijken invloed op mij uitoefenden.

Moeder trachtte' bij voortduring de zaden van geloof en godsvrucht in mijn jeugdig hart te strooien; zij las met mij in den haar zoo dierbaren Bijbel en sprak met mij over haren Heere en Zaligmaker, wiens kruis en vergoten bloed haar éénige steun was en al haar hoop in leven en sterven; zij liet mij haar geliefkoosde Psalmen van buiten leeren, alsmede die Bijbelteksten, die haar zoo dierbaar waren. Ik deed het, om mijn moeder, die ik waarlijk liefhad, genoegen te geven. Maar het ging altgd even oppervlakkig en drong niet tot in mijn hart door. Evenzoo ging het met het afleggen mijner belijdenis. De predikant, een oud, eerwaardig man, deed wat hij kon, om mij daartoe voor te bereiden; en toen de dag mijner bevestiging als lidmaat der Kerk gekomen was, sprak hij ons allen nog eens ernstig toe en hield ons de plichten voor oogen, die onze plechtige belofte ons voor het vervolg zou opleggen. Dit deed hij ook met vernieuwden aandrang bij het Avondmaal. Wel maakten die uren eenigen indruk op miju hart; wel bad ik toen, zooals ik dacht, in oprechtheid des harten, om

Sluiten