Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2: 17. Waaruit klaarlijk blijkt, ten eerste: genade om dezulken te kiezen, en ten tweede: Zijne Almacht, door hen bekwaam te maken voor Zijne heilige woning.

Uit den bornput uitgehouwen, werden die steenen boven den grond gebracht, walgelijk, onrein, dood in zonden en miidaden, kinderen des toorns, lijfeigenen van den duivel.

Ziet, zoo zijn wij allen, die in Adam zijn gevallen en allen onder de zonde besloten. Gelijk geschreven is: daar is niemand rechtvaardig, ook niét een. Daar is niemand die verstandig is, daar is niemand die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden: daar is niemand die goed doet, daar is ook niet tot één toe. Rom. 3:20, terwijl in de acht daarop volgende verzen- de vreeselijko toestand van den mensch van nature is, beschreven. ' .

Uit deze ruwe steenen nu, wil God wat sierlijks maken en ze herscheppen, in toonbeelden van Zijn genade; in wonderteekenen die bestemd zijn om eeuwig te roemen in vrije genade. Daartoe nu zijn alle de handen van de drie Goddelijke personen werkzaam. De Vader trekt ze, de Zoon koopt en eigent ze, de Heilige Geest wederbaart ze en het verloren Godsbeeld wordt weder hersteld in den mensch, opdat ze door den Zoon in handen van den Vader zouden geléverd worden, zooals Hij ze in Adam heeft geschapen naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid.

En tot dat werk nu gebruikt de Heere Zijne eigene, daartoe verordineerde instrumenten. Salomo had daartoe Hiram en zijne dienstknechten, het waren dus vreemden, zooals geschreven staat: Uitlanders zullen staan en uwe kudden weiden, en vreemden zullen uwe akkerlieden en uwe wijngaardeniers zijn. Jes. 61-: 5. *

Vreemden! wie zijn datP dat zijn Gods knechten, dat zgn de leeraars in de kerke Gods, die wet en Evangelie hebben te prediken, die het snoode van het kostelijke hebben uit te trekken, het Woord Gods recht te snijden en ieder zijn bescheiden deel te geven en aan te zeggen dat het den rechtvaardige wèl, en den goddelooze kwalijk gaan zal.

Maar, vraagt men,s zijn dat dan vreemden P Er zijn in des Heeren huis bij de opbouwing van hetzelve „zonen en dienstknechten". Dienstknechten kunnen zonen zijn, maar omdat ze

Sluiten