Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langer dan de wandelaars, die de lengte van David hadden. Hij hield steeds een vasten tred, het hoofd naar boven, de handen gevouwen of op de borst Wij merkten op, dat hij een brandende lantaarn op den rug^droeg en hij dientengevolge altijd in de schaduw ging. Zijn aangezicht, geloof ik, dat hij met vet besmeerd had, zoo glanzig was het. Ik zag echter, wanneer hij zich in het zweet redeneerde, dat de glans er afdroop. Hij had een duimstok bij zich, die juist zijne lengte had, en daarmede nam hij de maat van iederen wandelaar. Indien ze die lengte niet bereikten, dan waren ze naar zijne meening te klein en dan sloeg en stompte bij de zoodanige; en dan hebben wij het gezien, dat hij op de kleintjes zoo beukte, dat zij het uitschreeuwden van pijn. Wanneer er dan waren, die zulke gekrookte rietjes in bescherming namen, dan konden ze er op rekenen, dat ze ook een schamper kregen, soms ten bloede, toe. Ik merkte verder op hoe, terwijl zijn gang recht was, de draaiing van zijn heup en het bovenlijf vreemd waren; al wat maar klein was ondervond zulks, en hoe meer die vreemde draaiingen doende waren en de kleintjes het ontgelden moesten, hoe mèèr zijne borst opzwol en hij met duizelingen werd aangevallen, die soms zoo erg waren, dat hij als een tol in de rondte draaide. Toch bleef hij bij dat alles recht op zijne beenen staan. Later zag ik, hoe hij in gezelschap voortwandelde van personen van zijne lengte, hoewel hij altgd de langste was, terwijl hij ook daar nog klappen uitdeelde. Ik zag hem onder die menigte verdwijnen, en had ook geen lust meer om zijne gangen verder na te speuren, en nog veel minder om de reis met hem te maken Ik dacht, dat is zeker een wettisch mensch, die door zgn rechten gang zich verbeeldt meer te zgn dan anderen. Ik zag wel dat het géén wandelaar naar Sion was naar het Woord, want de man had niets van de eigenschappen dergenen, wier voetstappen daar staan geteekend.

Terwijl ik daarover stond te peinzen, kwamen er twee deftige personen tot mij. De een scheen een herder, althans hij droeg een herderstaf. Deze zeide: „gij staat daar te peinzen over dien statigen en toch vaak duizelenden wandelaar en gij weet niet wat gij van hem denken moet. Daar ik een schaapherder ben, zal ik u wel eenige inlichtingen kunnen geven. Ik vind soms de zoodanigen onder de kudde en wanneer ze met die kwaal

Sluiten