Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laat bobben, tobben wat er wil, Laat ruischen alle noordsohe vlagen, Na onweer wordt het weder stil, Wij willen 't met den Meester wagen.

Al is ook de afgrond zeer ontsteld, En gaapt om 't leven te verdrinken, Zoo lang als Jezus ons verzelt, Dan hebben wij geen nood van zinken.

Hij is getrouw in allen nood, En zal ons scheepje niet begeven, Maar voeren over hel en dood, Aan d' overkant, in 't eeuwig leven.

Ach, broeders van ons Vaders Huis! Laat Jezus met uw soheepje varen, Wij zagen u zoo gaarne thuis.... Och! of wij eeuwig vroolijk waren,

Strijd en Kroon.

Ik strijd tot ik aan 't einde zij, En daarom houd ik moed! 'En dan een kroon, een kroon voor mij, Gekocht door Jezus' bloed'

Zoo hoorden wij een krijgsman met luider stemme zingen, en zgn vroolijk en opgeruimd lied bewijst, dat hg den strijd niet opgaf, maar die gedurig aanbond, tegen al wat tegen den wil in strijd was van zijn Overste. Hg was van dezelfde gesteldheid als Mozes, die de schatten van Egypte verachtte en liever met litteekenen in den strijd werd bedekt, dan dien op te geven, want hij zag op de vergelding des loons.

Paulus was ook zulk een krijgsman, hij bemoedigt al zjjn medekrijgsknechten met deze woorden: „Strijd den goeden strijd des geloofs" en aan Timotheus zijn geliefden zoon, voegt-hij er dit bij: „en indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zoo hij niet wettelij k heeft gestreden". 2 Tim. 2 : 5.

In deze woorden van den Apostel ligt klaar en duidelijk op-

Sluiten