Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dediging, zoo vinden wij het een zoo wel als het ander bij dezen helschen vorst.

Zijn volk zijn alle Heidenen, Turken, Joden en gedoopte Christenen, die van God vervreemd en in geestelijke duisternis verkeeren. Deze maken te zamen het koninkrijk van Beëlzebub uit. De wetten zijn vijandschap tegen God en Zijn Gezalfde, in het bijzonder heftigen haat tegen het Kindeke Jezus, zelf daar, waar het ia een arm menschenhart in doeken nederligt. Verder behelst de grondwet van dat rijk het onherroepelijk bevel om, waar het maar eenigszins mogelijk is, het vuur van twist en tweedracht aan te stoken, niet alleen bij koningen en in raadsvergaderingen, maar ook in de huisgezinnen, wetende dat twist en tweedracht een groote nasleep van allerlei zonden met zich brengt, terwijl de vorst niet liever ziet, dan dat zgn onderdanen veel, zeer veel zonden doen. Voorts is met groote zwarte letters, schier op iedere bladzijde geschreven, de woorden van de Joden tot Pilatus: „laat Hem gekruisigd worden."

De rechten en privilegiën van zijne onderdanen zijn menigvuldig. Ze zijn echter van dien aard, dat zij die er zich mede bevoorrecht zien, zieh des te vaster aan hun ellendigen koning verbinden. Die rechten en privilegiën bestaan voornamelijk daarin dat de onderdanen van Beëlzebub de wereld en hare begeerlijkheden het hunne mogen noemen, dat zij daarin hun roem stellen, en dat de koning zeer veel bemoeienis met hen neemt, om voor hen te verbergen hun eeuwig rampzalig einde, terwijl hij in iedere geneugte van de wereld en van de zonde zorgvuldig het adderen vergif bedekt, dat daarin verborgen ligt.

De wapenen die hij gebruikt, om zich en zijn volk te beschermen en zijn rijk uit te breiden, zijn altijd, door alle eeuwen dezelfde geweest', hoewel hg in iedere eeuw Daar de omstandigheden zijn eigenaardige kunstgrepen heeft. Luther, in zijn geloofslied, heeft zgn wapens beschreven, als hg* zegt:

De vijand rukt vast aan, Met opgeheven vaan, Hij draagt zijn rusting nog Van leugen en bedrog.

Dat zijn de wapenen van den helschen vorst, hij heeft niet anders en hij kan of wil niet anders. Leugen en bedrog is zijn toevlucht en zgn sterkte.

Sluiten