Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lirjgen en verdrietelijkheden blootgesteld, waar de minderen niet de minste kennis van hebben. Zij waren dan ook bijzonder het mikpunt van den vijand, die het voornamelijk op hun schild toelegt, doch dan ontdekte ik hoe ze, volgens het bevel van Koning Jezus, het schild bestrijkten, en dan zag ik, hoe de vurige pijlen daarop afgeschoten, werden uitgebluscht en langs het schild afgleden. Nochtans was de strijd vaak hevig, die dan het meeste werd verergerd, wanneer er spionnen waren, die zich als vrienden hadden vermomd en nochtans vijanden waren, en waartegen de Koning gedurig waarschuwt, dat ze wolven zijn met een schapenvacht omhangen en dus zeer gevaarlijk.

Somtijds zag ik die kapiteins moedeloos nederzitten met het hoofd in de hand, strak voor zich ziende. Dan hoorde ik hunne klachten hoe al hun arbeid ijdel was, dewijl ze maar op rotsen ploegden; dan was er weer een die zeide: „Ik begin te vreezen dat ik maar uit mij zelve ben geloopen en niet van den Koning gezonden, dus zal mijn laatste nog wel erger zijn dan mijn eerste; was ik maar een visscherman gebleven." Later zag ik er een, weenende nederzitten op een steen tusschen riet en biezen. Waarom weende de man zoo bitter, hij was toch van Koninklijken huize, hij droeg de livrei van den Koning, het was zichtbaar, dat hij geen overlooper of spion was, want in al zijn handelingen scheen hij de eer van zijn Koning te bedoelen. Lang bleef ik op hem staren, doch durfde niet naar de oorzaak van zijn smart te onderzoeken. Een paar dagen later ontmoette ik hem weder, maar wat was hij veranderd, zijn aangezicht blonk van vergenoeging en zijn oogen glinsterden van blijdschap, en nu kreeg ik vrijmoedigheid om hem aan te spreken en te vragen of ik zonder onbescheiden te zijn, naar de oorzaak van de zichtbare verandering mocht onderzoeken, die ik in hem bespeurde. Daarop antwoordde hij aldus: „Gij begint uw onderzoek mijn vriend! met een onzer krijgsartikelen dat aldus luidt: „uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend. De Heere is nabij." Pilipp. 4:5. Ik zie dus dat gij een zijt van degenen die de geboden des Konings zoekt in eere te houden, nu zijt gij mijn man. Maar er is niets onbescheidens in uwe vraag, en het is mij tot blijdschap eens te mogen vertellen van de groote daden des Konings, die zulk een nietig instrument nog wil gebruiken tot uitbreiding van Zjjn Koninkrijk. En daar heeft Hij toch

Sluiten