Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zedelijk jongmensen, die van de geheele wereld werd geacht cn geprezen, als hij stierf, naar den hemel gaan zou.

Zoo zijn de wit gepleisterde graven, van buiten schoon en helderwit, van binnen echter vol doodsbeenderen.

MIJN "WEG EN GODS WEG.

Mijn weg en al de overleggiDgen op dien weg waren, om in alles boven anderen uit te munten. Op mij zelve te staan en een groot man in de wereld te worden, was mijn eenig toeleg. Nochtans, hoewel ik had gehoopt voorspoedig te zullen zijn in al mijn pogingen daartoe, zoo begon ik al ras te ondervinden, wat de wereld was. Teleurstelling op teleurstelling, smart op smart, verlies op verlies werden al spoedig mijn deel, welk laatste niet weinig werd vermeerderd door het goed vertrouwen, dat ik in alle menschen stelde, waarvan niet zelden misbruik werd gemaakt, om mij van het mijne te berooven.

Ik zal noch mij zelve, noch mijne lezers lang ophouden met de donkere wegen, die de Heere in de Voorzienigheid met mij gehouden heeft, doch zal hieromtrent slechts kort zijn. Mijn weg intusschen was een_ verkeerde weg, waarop ik dagelijks mijn schuld grooter maakte, niet het minste door opstand tegen God, wanneer alles, alles mij tegenliep. Niet zelden stond ik met gebalde vuist naar den hemel, den Heere beschuldigende dat Hij onrechtvaardig was. Waarom Hij mij niet vermorselde voor Zijn aangezicht? 't Was dubbel rechtvaardig geweest, doch ik zag daar. toen niets van. Och! wat is toch de mensch, vervreemd van God, volslagen duisternis. In eigen oogen was ik een hóogen boom, de Heere zou dien hoogen boom vernederen.

Hoe ik echter mijn weg bedorven heb, zoo moet ik van achteren verwonderd staan, hoe de Heere mij bewaarde in de verzoeking. Te midden van al die verliezen, was ik meer dan eens in de tegenwoordigheid van vele schatten, die aan anderen toebehoorden. Nooit zal ik vergeten, hoe ik eenmaal geheel alleen eensklaps een groote menigte bankpapier voor mij zag. Een banknoot van vier cijfers lag boven op, ik zou mij er mede hebben kunnen redden uit de ellende, waar ik juist op dien oogenblik in verzonken was. Hoe wonderlijk zorgde de Heere, dien ik niet kende; geen begeerigen blik wierp ik op die bank-

Sluiten