Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten er voor loopen; en de weg is zoowel lang als onzeker, wanneer zij zullen aanlanden. De eenige tijd is heden, waarover gij beschikken kunt. Eoemt niet op den dag van morgen, gij weet niet wat het zijn za£ Spreuk. XVII. 1. Zegt niet: »ik heb nog tijd genoeg om den hemel te verkrijgen!" zeven jaar voor uit; maar ik zeg u zeven dagen, eer de Bel uw einde mogt luiden 1); en wanneer de dood komt, moet gij mede, bereid of onbereid; daarom ziet naar redding uit! stelt niet uit, het is niet goed belangrijke zaken uit te stellen, hetzij de zaligheid of de verdoemenis. Gij weet, dat die eenen grooten weg moet gaan en weinig tijd heeft, bedenken moet om te loopen.

Ten vijfde. Diegenen, welke den hemel willen genieten, moeten er voor loopen; want de duivel, de i-wet, de zonde, de dood en de hel achtervolgen hem. Daar is nooit een arme ziel ten hemel gegaan, zonder dat de duivel, wet, zonde, dood en bel hem achtervolgd had, I. Petr. V. 8. En ik verzeker u, de duivel is vlug, hij kan snel loopen, hij is ligt te voet, hij kan er velen inhalen, hij heeft velen den voet gekeerd, en eenen eeuwigen val bereid. De wet kan ver schieten; draagt zorg, dat gij buiten het bereik van hare pijlen blijft. De hel heeft eenen grooten mond, zij strekt zich verder uit dan gij weet. De engel zeide tot Lot: «haast u, dat gij niec achter u omziet! staat niet op deze gansche vlakte; spoedt u naar het gebergte, opdat gij niet omkomt! dat is: houdt u niet op tusschen dezen weg en den hemel, opdat

1) Hier zinspeelt de Schrijver op de bel bij de Roomschea. .wanneer de bel begint te hüden; Heere! wees mime ziel genadig.

Sluiten