Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heere Jezus haar als bij de rechterhand vatte en dat de geest haar ondersteunde, als met eeuwige armen, en dat ze zoo op den berg kwam, maar ze was nog niet over den berg, en nog niet binnen, maar was nog maar aan de poort van den hemel. Toen lag zij met uitgestrekte verlangen en begeerte, om bij den Heere Jezus te zijn, en wenschte dat Hij haar hoe eer hoe liever wilde overbrengen in zijne zalige gemeenschap.

XXVII. Dus bleef zy in diezelfde ruimte dien geheelen nacht en Zaterdagsmorgens zeide zij: „ik verzoek dat morgen ds. Immens en ds. de Freine voor mij in de kerk mogen bidden, op dat het bekend worde, wat God aan een ellendig zondaar doen kan, tot roem van de vrije genade." Wanneer men haar zeide, dat ze mogelijk zoo lang niet leven zoude, dan zeide ze: „zal het wel wezen, dan zal ik geen Leeraar meer van noode hebben, maar zal dan van den Drieeenigen God zelf geleerd worden, die zal dan mijn Leeraar zijn."

XXVIII. Den ganschen Zaterdag was zij stil, en lag des namiddags weder een langen tijd sprakeloos; 's avonds als ds. Immens bij haar kwam, had zij weer begonnen te spreken, tot roem van God en zijne liefde aan haar bewezen, zeer verlangende om heen te gaan. Het scheen dat zij toen eênigszins beter was naar het lichaam, ook naar het oordeel van den geneesheer; wanneer dat aan haar gezegd werd, antwoordde ze: „het doet mij niet aan, dat ze zeggen dat ik beter ben, ik zal evenwel sterven, ik denk niet op tt- komen, neen, de Heere doet zoo niet, ik zou niet in staat zijn zoo televen, nog Gods vertroostingen te beantwoorden." Als

Sluiten