Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volstaan, wanneer men in zijn stand niet al te bekrompen wil leven. In het ontwerp-Heemskerk, art. 53, heeft men in dat geval voorzien, en wordt onverhoopt art. 42 van het ontwerpFock aangenomen, dan ware het wenschelijk, dat art. 53 van het ontwerp-Heemskerk werd overgenomen. (1)

Begrijpen wy het art. 42 van het ontwerp-Fock goed, dan kan het traktement van een hoogleeraar, die op ƒ4000 is benoemd, verhoogd worden; in den regel evenwel deelt hij eerst in het maximum of ƒ6000, wanneer hij de 45 gepasseerd is. Ook in andere landen heeft men de bepaling, dat na verloop van zekeren tijd de jaarwedde verhoogd wordt, maar de bepaling is hier minder algemeen dan in het ontwerp-Fock. In Oostenrijk b. v. treedt de verhooging van de jaarwedden van de hoogleeraren om de tien jaar in, en er is zelfs sprake van, om dit om de vijf jaren te doen plaats hebben. Ik geef in overweging, of dit in Holland geen navolging verdient. Die verhooging toch te laten afhangen van de willekeur van dezen of genen minister, komt mij niet raadzaam voor.

Art. 69 van de wet op het hooger onderwijs van het jaar 1815 spreekt ook van de benoeming van buitengewone professoren {profmores extraordinarii); volgens het nu ingediende wetsontwerp worden deze afgeschaft, en naar het nujj voorkomt, zonder grond, want hetgeen hiervoor in de Memorie van toelichting wordt aangevoerd, bewyst al zeer weinig. Dit punt hangt nauw samen met de positie van de privaat-docenten, waarover wij boven reeds gesproken hebben. De privaat-docenten maken in Duitschland een vrij aanzienlijk deel uit van het onderwijzend personeel. De volgende tabel is duidelijker dan de treffendste redeneering; in 1867 waren op de Pruisische universiteiten de volgende onderw'yzers werkzaam:

(1) Art. 53 van het wetsontwerp-Heemskerk luidt: «Wij behouden oub voor, wanneer het belang van het onderwijs dit vordert , een hoogleeraar op een hoogere jaarwedde dan het maximum te benoemen.»

Sluiten