Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Gelijk alom in de Christenheid de behoefte aan en wensch naar reformatie tegen het einde der i5de eeuw algemeen waren, zoo was dit niet het minst in de Vereenigde Nederlanden, Friesland, Westphalen en Rijnland. Bij den aanvang der 16de eeuw, zegt B. Ter Haar, was Nederland een akker gelijk, die door de hand des Heeren zelve was toebereid om het goede zaad te ontvangen. De begeerte naar een zuiverder Christendom leefde in duizende harten, zonder dat men nogtans aan scheiding of scheuring in de Kerk dacht. Doch ook nu bleek Gods raad anders dan de gedachte der menschen, en het werd tevens duidelijk hoe eene hiërarchie, zij moge nog zoo veel edele mannen in hare rangen tellen, toch uit zelfzucht, zelfbehoud en conservatisme zich steeds tegen alle reformatie kanten moet. Het hemeltergend misbruik van den aflaathandel stak de lont in het vuur. Reeds in 1520, zegt Ter Haar, was het getal hervormingsgezinden zoo groot, dat het tijdstip niet verre verwijderd scheen waarop Nederland, met zijn regent, Graaf Hendrik van Nassau, stadhouder van Vlaanderen, Holland en Zeeland, aan het hootd, het voorbeeld van Oost-Friesland zou volgen. Aan kerkorde dacht toen niemand. De monniken en de priesters, want zij waren het die het eerst de waarheid des Evangelies predikten, dachten aan niets anders dan aan het verkondigen van den weg des heils naar de H. Schrift, aan heilbegeerigen. In 1523 vielen de eerste martelaars Voess en Van Essen, priesters te Antwerpen; in 1524 werd Hendrik Van Zutphen, ook een priester en ijverig verkondiger des EvangeKes, gedood; nu begon de reeks der vervolgingen, die zooveel edel martelaarsbloed deden vloeien, ook hier het zaad der Kerk.

Sluiten