Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

len ,tot Commissaris van Binnenlandsche • Zaken benoemd, eene afzonderlijke afdeeling voor Eeredienst werd ingesteld onder D. J. Jansen. 8 December werd aan de Hervormden opgave gevraagd van het personeel der kerkedienaren; tevens werd bevolen dat de beroepingen nog niet door de Keizerlijke Regeering goedgekeurd ter kennis van den Commissaris voor B. Z. moesten worden gebracht; eindelijk dat geen beroeping van Predikanten der Herv. Gemeenten en van zoodanige leeraars, als toelagen uit 's Lands kas genieten, zou kunnen geschieden, dan na verkregen toestemming van den Commissaris voor B. Zaken, op wiens voordracht de goedkeuring door den Vorst zou geschieden.

10 Maart werd de nieuwe Grondwet van 1814 bezworen. Daarin werd bepaald dat de Koning de Hervormde Godsdienst zou belijden; aan de Hervormde kerk werd de voortdurende verzekering gegeven uit 'sLands kas van alle tractementen, pensioenen, enz., onverminderd het recht van den Souvereinen Vorst om toezicht te houden over alle godsdienstige gezindheden.

Aanvankelijk scheen er hoop dat de Koning den goeden weg zou bewandelen, en aan de Kerken zeiven een aandeel geven in het tot stand brengen eener sinds jaren vruchteloos beproefde reorganisatie van het Bestuur. Dit zou inderdaad niet veel moeite hebben gekost; want al waren de tractementen in den laatsten tijd niet uitbetaald, de kerken waren niet zoo gedesorganiseerd als men wel denkt; immers de oude regeling, hoewel de staatkundige bekrachtiging in 1795 was teruggenomen en vernietigd, was grootendeels blijven bestaan. Ook van haar kon men in 1814 in volle waarheid zeggen, althans wat de kerken betreft, rebus ipsis et factis aangenomen; de kerken waren gebleven, de klassen kwamen bij elkaar, tot in 1809 zelfs al de Provinciale Synoden, van af 1810 de Coetus of Deputati Extraordinarii, terwijl in de werkzaamheden dier vergaderingen geen verandering was gekomen.

Sluiten