Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spraken tegenover de blijvende gemeente en de Regeering. Verkl. der Regeering, Januarij 1841.

2°. Toen in 1848 het artikel der Grondwet in de dubbele Kamer besproken werd, zeide de Minister van Heemstra: de Staat zal voortgaan aan de Kerkgenootschappen uit te betalen, wat ieder in 1815 genoot; en Minister J. Heemskerk (Praktijk der Grondwet) voegt er bij: Zoo hebben alle Ministers gehandeld. Dezelfde schrijver merkt tevens op, dat de Hooge Raad altijd in zake den eed, heeft aangenomen dat gezindheden beteekent Kerkgenootschappen.

30. Toen de Predikant aan de Moerdijk kerkelijk uit zijn ambt was ontzet, en aanvankelijk Kerkeraad en Kerkvoogden, ja de gansche gemeente op zijne hand was, betaalde de Regeering de vacatuurpenningen aan den ring, die zelfs met deurwaarder en gendarmen begeleid, den kansel niet kon beklimmen , en de werkzaamheden van den pastor loei vervullen, waarvoor hij betaald werd.

40. Merkwaardig zijn de woorden van Prof. Buys in het Januari-nommer van de Gids 1885 : „de bepaling der Grondwet, zooals zij daar ligt, heeft tengevolge vooreerst, dat geheel „in strijd met onze begrippen van kerkelijke vrijheid de verschillende deelen van een uiteenspattende gemeenschap, door, ik „zeg niet gouden, want de tractementen zijn veel te karig om „zulke • beeldspraak te wettigen, maar dan toch door zilveren „banden kunstmatig worden bijeengehouden. Ten tweede, dat „komt het heden of morgen tot eene scheuring en beweren de „twee scheidende deelen beide de Hervormde Kerk te zijn, aan „den Staat de beslissing wordt opgedragen van een voor hem „onoplosbaar raadsel. En eindelijk, dat de zegevierende afdeeling, „zij moge nog zoo klein zijn, wettige aanspraak krijgt op de volle „som, welke aan het geheele Kerkgenootschap in 1815 toekwam."

In het Concept-grondwetherziening thans bij de StatenGeneraal ingediend, is art. 168 al. 1, onveranderd gehandhaafd, en wel in zijne historische beteekenis, terwijl de Re-

Sluiten