Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel anders, dan in zijnen brief met een enkel woord datgene noemen, waaraan men de geesten, tegen welke hij bepaald waarschuwen moest, te toetsen had. Wat zeiden zij van Jezus, den Christus, den mensch geworden Zoon van God? dat was toen voor de Christenen de vraag. Vele eeuwen zijn voorbij gegaan en de vraag blijft nog: wat zeggen zij, die van God en zijn koningrijk, van den hemel en den weg der zaligheid spreken, wat zeggen zij van Jezus? Maar omdat de getuigenis van Jezus in naauw verband staat met hetgeen wij te gelooven hebben van des menschen verdorvenheid en ellende door de zonde, van het geloof in Jezus en de bekeeriug en de heiligmaking; omdat de Schriften des N. V. ook daarover spreken, omdat zij de leer der zaligheid in baren geheelen omvang overbrengen, daarom vragen wij nu niet slechts dit eene: wat getuigen de geesten, die zich laten hooren, van Jezus? maar in het algemeen: wat getuigen zij van de leer der zaligheid, zooals die voor ons, Christenen, in den Bijbel te vinden is? Meent niet, dat zij, die in onze dagen aan dezen toetssteen getoetst worden, alzoo eene veel zwaarder proef hebben doortestaan, dan de geesten, die volgens Johannes moesten getoetst worden aan de getuigenis: Jezus Christus is in het vleesch gekomen, Jezus is de Zoon van God. Daar de toestanden veranderd zijn, is de toetssteen, dien Johannes aanwees, voor onzen tijd niet meer voldoende. Werden wij er nu aan getoetst, wij zouden aan eene veel ligter proef onderworpen worden, dan de valsche profeten uit de dagen des apostels. Wat bewijst het nu, dat iemand Jezus den Christus noemt, den mensch geworden Zoon van God? Het is zeker beter, dan dat hij Jezus niet als den Christus voorstelt, dan dat hij weigert, Jezus voor den Zoon van God te erkennen, dan dat hij in Jezus niet een mensch ziet, ons in alles gelijk geworden uitgenomen de zonde. Maar was er in de dagen van Johannes geen strijd over de beteekenis der woorden: Jezus is de Christus, Jezus is de

Sluiten