Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Turksch kismet „het levenslot". Hebr. \*n , pijl > Arab. ha? „lot, geluk".l) Evenzoo Arab. sahm „pijl, deel, lot".

Cultuur-historisch van belang is de beteekenisovergang van de begrippen „gewoonte" tot „recht" en vice versa. Vgl. Gr. ijdoc. Lat. mos, mores, waaruit ons moraal. Verder Gr. 9èuic „instelling, recht, gewoonte", dtxrj „recht, gewoonte" en öoiog. Lat. insolens, „ongewoon">,,onbeschaamd". In het Hebr. heeft men dezelfde ontwikkeling. Wat ongebruikelijk is, is niet goed (vgl. Gen. 29, 26 e.d.). BSVQ (afgeleid van üW „richten, recht spreken") beteekent „recht", maar ook „gewoonte". — Dit laatste woord ontwikkelt zich dan nog verder tot den zin van „uiterlijke verschijning" II Kon. 1, 7: B^HntJWönö . Precies zoo Gr. oyfiua „houding, manier van doen, kleeding" en Fr. tenue. Vgl. ook Lat. habitus > Fr. habitude, habit; Eng. custom, Fr. coutume > costume. Arab. ha/a „vorm, uiterlijk" > „kleeding".

2. Werkwoorden.

Zooals in het Ned. tal van werkwoorden en uitdrukkingen wijzen op ontleening aan de zeemanstaal (belanden, van streek: zijn, uit de koers raken, van wal steken, aftakelen en vele andere) -), zoo weerspiegelt zich in een reeks Hebr. werkwoorden, die een rust of een beweging aanduiden, het oude bedoeienenleven. En ook bier vallen weer verscheidene zeer leerzame parallellen uit de Indo-Germaansche talen te vermelden.

Hebr. ]7D3 „optrekken, reizen" gaat uit van het uitrukken van de tentpin (in Ri. 16, 3 en 14, Jes. 33, 20 staat VD3 II prü; ook hi. wn t Ps. 80, 9 enz.) ,VD3 = rtW (7/TKÖ 71DI Ps. 52, 7;

1) Waarschijnlijk heeft men Hebr. Yn ook éénmaal in den zin van „lot" in het boek job (34. 6): ^vn WUM „mijn lot is ongelukkig" vgl. tSHJNDV Jer. 17. 16. Zie I. Eitan, A Contribution to Hebrew Lexicography, N.Y. 1924, p. 46 v.

2) Zie de Vooys, l.c. p. 37.

Sluiten