Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GELIEFDEN IN ONZEN HEERE JEZUS CHRISTUS.

In dit plechtig afscheidsuur komt onwillekeurig het woord van Mozes, den man Gods, ons in de herinnering: „en w^ vliegen daarheen". Eerder dan wij vermoeden konden, is het oogenblik aangebroken, waarin ik voor het laatst, als uw herder en leeraar, op dezen kansel sta.

Weken en maanden hebben wij dezen dag verbeid, en toch schijnt het, alsof wij er heden nog door werden verrast. Wat is de tijd omgevlogen, sinds het beroep naar de kerk van Aduard door mij werd aangenomen ! En dat niet alleen. Want ach, waar zijn de jaren gebleven, die zijn voorbijgesneld, nadat ik op den morgen van den 18den Mei 1930 hier in Serooskerke in de Heilige Bediening werd gesteld?

Gij herinnert u immers met mij, als was het nog kort geleden, hoe mijn grijze Grootvader, die toen den ouderdom van 85 jaren reeds had overschreden, mij tot mijn dienstwerk bij u inleidde met een ontroerende predikatie over de Apostolische vermaning uit 2 Tim. 1 : 13 en 14: „Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is. Bewaar het goede pand, dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest, Die in ons woont". En op den middag van dienzelfden dag verbond ik mij aan u, gemeente, als uw eigen predikant, met de betuiging van den Apostel Paulus: „Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet, want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood en ook den Griek" (Rom. 1:16). ¥

Bijna negen jaar heeft de Heere mij in uw midden als Zijn dienstknecht willen gebruiken. Gelukkig mogen wij zeggen, dat de Koning der Kerk, Die ons op wonderlijke wijze samenbracht. Zijn Goddelijken zegen over de verbintenis tusschen u en mij in ruime mate heeft willen schenken. Wij hadden samen in menig opzicht goede jaren.

Nu komt er in onze verhouding een groote. verandering. Door mijn Zender geroepen in het Noorden des lands mijn arbeid voort te zetten, zullen wij elkanders aangezicht, indien al, dan toch niet dikwijls meer zien. Ik denk daarbij aan een Fransch spreekwoord: „intrekken is een weinig sterven". Scheiden doet lijden. Scheiden doet pijn. En ik wil die leedgevoelens ook niet onderdrukken. Integendeel: ik ben er dankbaar voor, dat ik u niet in een hoera-stemming verlaten kan. Gedurende mijn ambtelijken dienst onder u werden wij met hechte banden aan elkander Vervlochten. Dat wisten we wel, over en weer, maar in de laatste weken nebben we het toch wel héél duidelijk gevoeld. Door mijn aanstaand vertrek gaven wij ons, misschien meer dan vroeger, rekenschap van onze wederzijdsche liefde en toenegenheid en dat juist maakt het scheiden niet gemakkelijk.

Wel zijn die negen jaren ons als een droom ontvaren , nochtans

beseffen we, dat vandaag een belangrijk deel van ons leven wordt afgesloten, van het kerkelijk leven alhier en van mijn persoonlijk leven en

Sluiten