Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook deze aarde heeft haar luister en heerlijkheid. Onder de bekoring van aardsche grootheid en onder de bedwelming van de glorie en de schittering dezer wereld hebben, ach, zoovelen daaraan al-de liefde van hun hart verpand. En dat, terwijl zij dagelijks ervaren en voor hunne oogen kunnen zien, dat al die heerlijkheid dezer aarde hun in 't sterven niets kan baten. Zij moeten 't al aan and'ren overlaten. De grootste rijkdommen kunnen ons leven geen oogenblik verlengen. De hoogste eer, die wij op aarde genieten, kan ons niet vrijwaren tegen den dood. De koning en de bedelaar zijn in hun stervensure aan elkander volkomen gelijk. Menschen van eer en aanzien, van macht en majesteit, gaan evenals de allerarmsten en de paria's der maatschappij, onherroepelijk den weg van alle vleesch.

Maar als bij uw laatsten snik, mijn broeder of zuster, alles wat van deze wereld is, u ontvalt, dan is er één ding, dat blijft: de genade Gods in Christus Jezus ; dan is er één ding, dat volle, zalige werkelijkheid wordt: de roeping Gods tot Zijn eeuwige heerlijkheid. En zoo is deze een vaste waarborg voor de volmaking der geloovigen. Want in het nieuw Jeruzalem „zal niet inkomen iets, dat verontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams" (Openb. 21 : 27). Daar zal alle zonde zijn te niet gedaan. Daar is de mogelijkheid van verleiding en afval buiten gesloten. De hemelsche heerlijkheid is onverliesbaar. De genade Gods is een onvergankelijk goed. Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.

Tot die verheven hoogte van Zijn eeuwige heerlijkheid heeft God ons geroepen, ons, kinderen des toorns, in schuld en doem verloren. Hij heeft ons geroepen uit het stof der aarde, uit het slijk der zonde, uit de diepte des doods — tot Zijn heerlijkheid in Christus Jezus.

Wij mogen ons dus wel ernstig afvragen, of wij den Heiland met een waar geloof liefhebben. Zonder Jezus geen heerlijkheid, maar een eeuwig zielsverderf. Jezus Christus is alleen de verdienende oorzaak van onze heerlijkheid.

Wacht u dan aan het einde der levensbaan de eeuwige heerlijkheid, die wetenschap zij u geen reden tot zelfverheffing of verhoovaardiging. Want tot die duizelingwekkende hoogte zijt gij niet opgeklommen door eigen kracht, hebt gij u zelf niet opgewerkt — gij zijt er toe opgeheven door de genade van God, Die u in Christus Jezus geroepen heeft, omdat Hij gedacht aan de trouw van Zijn Verbond.

Vergeet dit nooit, geliefden, de heerlijkheid, die u bereid is, is niet uw heerlijkheid. Onze heerlijkheid blijft altijd onvolkomen en onvolmaakt. Onze heerlijkheid is geene. De Apostel noemt haar Gods heerlijkheid, die u verworven is door Christus Jezus. Daarom is de volmaking der geloovigen onwankelbaar zeker. De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk. Uw ingang in de glorie des hemels zal niet de vrucht zijn, die gij van uw eigen worsteling als buit moogt wegdragen, maar wordt u als een genadegave geschonken : 't is de vrucht van Jezus' bange worsteling voor de zaliging der wereld.

Niets uit ons, maar al uit Hem, Zoo komt men in Jeruzalem.

Ligt alzoo de volmaking der geloovigen gewaarborgd en verankerd in onze roeping tot de eeuwige heerlijkheid — hier op aarde wordt die heerlijkheid Gods door ons nog niet ten halve gekend; zij wordt nog slechts voor een klein gedeelte gesmaakt en genoten, zoolang we zijn

Sluiten