Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ging toelaat, maar in dien zin, dat men, op haar zich beroepende, achtereenvolgens in lijnrecht tegengestelde richtingen kan wandelen.

Intusschen is het niet de vraag, wat er van het grondwettig voorschrift met eenigen goeden wil al niet gemaakt kan worden, maar hoe die woorden der grondwet gewoonlijk worden opgevat, welken zin zij door de praktijk hebben verkregen.

En dan hiidt het antwoord, dat zij als eene beperking van de vrijheid des onderwijzers worden toegepast, als eene aanwijzing van grenzen, binnen welke hij zich moet opsluiten.

Door de op de grondwet steunende wet wordt aan den onderwijzer de eisch gesteld, dat hij ieders godsdienstige begrippen eerbiedige.

In art. 23 der vorige, in art. 33 der tegenwoordige wet op het lager onderwijs komt de volgende bepaüng voor: »De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden."

Ook die woorden zijn weder dubbelzinnig, maar gelukkig niet erger dan dat. Zij kunnen slechts op tweeërlei manier worden opgevat. Vindt men dat reeds bedenkelijk genoeg, ik zal het niet tegenspreken.

Die woorden kunnen beteekenen, dat de onderwijzer niets leeren mag wat met de godsdienstige begrippen van andersdenkenden in strijd is. Zij kunnen ook beteekenen, dat de onderwijzer wel het recht heeft de godsdienstige begrippen van andersdenkenden af te keuren en voor onjuist te verklaren, maar dat hij geen onedelen spot mag drijven, dat

Sluiten