Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die het menschenhart heeft om te twijfelen, vooral waar het de zekerheid geldt van eene ongedachte weldaad, eene overstelpende goedheid, zou zij spoedig kwijnen en sterven. Om haar hiervoor te behoeden, late men haar ongehinderd ademen in de levenslucht der openbaring. En duidelijk is het dan ook, dat openbaring niet eene afgeslotene en overgeleverde zaak is, maar een werk, dat onophoudelijk voorduurt en voortgaat. En heeft de godsdienst noodig, den polsslag derzelfde, onverflaauwde, eeuwige liefde te voelen, der liefde, die zij zoekt, dan heeft zij tot hare aanvulling, tot haar steun, tot hare levensbron het objectieve tegenover zich, waaraan het haar niet mag ontbreken en niet behoeft te ontbreken. De Godgeleerdheid staart en streeft met haar in ééne rigting, één geloof is beider levensbeginsel, en de aard zelf en de onbedriegelijkheid der godsdienst legt mede getuigenis af voor de juistheid, waarmeê Thomas Aquinas van de Godgeleerdheid schreef: a Deo docetur, Deum docet, ad Deum ducit.

Zonder Godsopenbaring geene Godgeleerdheid. Ik heb getracht dit in het licht te stellen en een en ander aangevoerd wat dienen kan, om deze stelling als verdedigbaar aan te bevelen. Wat ik nu verder over hare waarde in het midden ga brengen moge nog tot aanbeveling het zijne doen. Waarde heeft onze stelling tot afbakening der grenzen, die de Godgeleerdheid van de dusgenaamde godsdienstwetenschap scheiden. Of wel, zou deze misschien de plaats der Godgeleerdheid moeten innemen? Ja, — indien waar is wat sommigen beweren, dat er van God en het goddelijke niets met zekerheid te zeggen is, niets meer kan worden geweten, dan wat 's menschen gevoel en verbeelding vermoed en gedicht hebben, deels bevallig en

Sluiten