Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik wacht op Hem; zijn hulp zal blijken;

Hij is mijn' rots, mijn heil in nood;

Mijn hoog vertrek; Zijn magt is groot; Ik zal noch wank'len, noch bezwijken.

Wij hebben nu al het een en ander overwogen, ^waar in het waar geloof in Christus kenbaar wordt. Alles wat wij daaromtrent beschouwden, was groot; ja zoo groot, dat vleesch en bloed het niet kan daarstellen. Geen schepsel, hoe groot hoe magtig is er toe in staat. Dat alles, wat gij door dit geloof, hoe zwak ook, opregten van harte! leerdet beoefenen, kondet gij, noch geene der geschapene krachten daarstellen; dat alles is uit God. Elke opregte zucht uit het hart, tot God opgezonden om genade in Jezus bloed, om gereinigd en geheiligd te worden, is een gewrocht van de krachtdadige werking des H. Geestes door het geloof, en hoe klein het kiempje wezen mag, geen vijand is zoo magtig dat hij het kan uitrukken; die smeulende vlaswieken worden niet uitgebluschtj en waarom niet? Het is omdat God ieder die waarheid begeert in het binnenste, in zijne kracht bewaart, door het geloof tot de zaligheid. Beur daarom, biddend om de kracht des H. Geestes, uwe zielen op, en tracht door een volkomen geloof, ook bemoediging en vertroosting te vinden, onder de rampen dezes levens. Doch niettegenstaande de grootheid van dat alles wat wij opgenoemd hebben, bestaat er nog iets hetwelk als het middenpunt daarvan kan beschouwd worden. Wat toch zoude het toevlugt nemen tot Jezus,

Sluiten