Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrede verder waagt, en nu ook doordringt tot de polilick, tot liet recht en tot de ivctenschap.

Dan toch roepen de Halven' Nu gaat ge te ver! en getuigen de Heelen: »Met uw welnemen: we beginnen pas!"

Dan volgt er een oogenblik van verwarring; er ontstaat gedrang, men gist nauwlijks, wat het worden zal. Tot ten leste het proces toch weer zijn pad afloopt en de stroom zich toch weêr in zijn bedding voortbeweegt, slechts een weinig versmald.

Want als het dan op keus komt, zegt de Halve: »Nu ge zóó ver drijft, blijf ik op politiek terrein liever met de mannen van invloed, en op wetenschappelijk erf liever met de mannen van naam, en op kerkelijk gebied liever met de mannen van goeden xville vereenigd, — dan dat ik, met uw Gideonsbende voorttrekkend, straks én op politiek, én op wetenschappelijk, én op kerkelijk terrein, tegen mijn land en burgers kom over te staan.

En kon soms in een onbewaakt oogenblik, de gedachte bij U opkomen; //Op dien volzin legt Kuyper nu den nadruk, maar oorspronkelijk reikte zijn bedoelen verder!" — laat mij u dan verwijzen mogen naar wat ik op 2 Juli ter Zte/rataifere-vergadering sprak, nog eer ik van uw vlugschrift kennis kon nemen.

Het luidde aldus:

Mijne Heeren en Broederen!

Vergunt mij, ook namens mijne geachte medeloden van het Centraal-Comité, u welkom te heeten aan deze plaats. Een welkomstgroet, die in de eerste plaats u geldt, die als afgevaardigden onzer Kiesvereenigingen uit alle oorden onzes lands herwaarts opkwaamt, maar dien ik toch, met niet mindere waardeering voor uw opkomen, evenzoo richt tot de leden der Staten-Generaal en -Provinciaal, en tot de vertegenwoordigers der Pers.

De beweegreden tot bijeenroeping van deze Buitengewone Deputaten-vergadering is u geen geheim.

Reeds te Utrecht in 4883 wierd besloten, dat een buitengewone vergadering, niet overladen met zorgen en bezorgdheden voor de algemeene verkiezingen, in een vrij jaar zou worden saamgeroepen ter bespreking van onze houding met opzicht tot do artikelen 194 en 168 der Grondwet.

Aan dit besluit kon in 1884 ter oorzake van de tusschentijds invallende Kamerontbinding geen gevolg worden gegeven. In 1886 wacht ons een periodieke verkiezing, waarschijnlijk zelfs een tweede ontbinding. En zoo was dan dit waarlijk vrije jaar als vanzelf aangewezen, om met de mannen onzer richting ter vrije discussie saam te komen.

Nog iets anders, schijnbaar onbelangrijk, en toch. om veel wat er meè sa&mhing, niet geheel van gewicht ontbloot, verhaastte de saamroeping van ons Deputaten-corps, t.w. dq onzekerheid, die begon te zweven over het mandaat van uwen Voorzitter.

Ware geen Kamerontbinding tusschen beide getreden, zoo zou hij in de gewone vergadering, die alsdan dit jaar zou gevallen zijn, én als lid van het Comité, én dus ook als Voorzitter zijn afgetreden, Nu tusschentijds ontbinding inviel, verschoof zijn

Sluiten