Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■w

ten van 's Heeren bevel, dan tot gehoorzaamheid daaraan; ja, zeker zal dit nergens beter worden gekend en beleden dan waar men, in gehoorzaamheid aan 's Heeren Woord, zich wijdt aan Christelijk onderwijs! Daarom, opdat ook in dit heilig en heerlijk werk de eere des Heeren niet aangerand worde, vragen wij, bij het begin van deze zaak, van Hem, die ons hoort: „Heere! houd gij over ons toezicht, houd ons bij de „eere van Uwen naam; bewaar ons, bewaar ook den onderwijzer voor alles, wat dien naam zou ontheiligen, en laat „daarom Uw oog steeds open zijn over deze plaats, waarvan „Gij zelf gezegd hebt: Mijn naam zal daar zijn!"

Wij begeeren dit óók van 'onzen God, Gel.! ('t ligt reeds in 't tot nu toe gezegde), omdat de hulpe des Heeren ons 't noodigste is. Ziet, hier staan wij voor een taak, welker omvang, beschouwd naar den mensch, ons zou overstelpen. De tegenstander, ziende op 't toenemen der Christelijke scholen in ons land, vooral in ons gewest, en dat iu de tegenwoordige drukkende tijdsomstandigheden, ziende ook op onze school, staat verwonderd over de zaak, welke hij aanschouwt, en poogt te vergeefs 't wonder, 't raadsel te daorzien; — de twijfelmoedige, rekenende met 't tegenwoordig oogenblik, vraagt ongeloovig: „hoe kan zulk een school blijven bestaan?" — ook ons eigen hart, al staat het vast in de overtuiging, dat wij zijn in Gods weg, voelt toch, ook onder het werk, zich niet zelden benepen, ziende op de ongunst der tijden, ziende op het gebrek aan belangstellende liefde bij sommigeu, van wie wij iets beters verwacht hadden, ziende ook op de verdeeldheid onder de broederen in éénen Heer;—voorwaar, Gel.! wij zouden toegegeven hebben aan den mismoedigen twijfel, die vaak niet verre was, wij zouden geen moed gehad hebben dit werk te aanvaarden en voort te gaan op den eenmaal ingeslagen weg, en dezen last op de schouderen der belijdende gemeente te leggen, indien wij mochten blijven zien op al die uiterlijke hindernissen, indien wij 't moesten gehad hebben en nóg moesten hebben van onze eigene kracht, wijsheid, getrouwheid en liefde! En nóg zouden wij geen moed heb-

- V--..

Sluiten