Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wapend en geharnast te worden, maar gorden onszelven aan in den strijd; een strijd die niet des Heeren is. Wie, wie ondervonden het niet, die hijgend uitzien naar de overwinning? Zalig is hij die, terugziende op zulke oogenblikken, met den dichter mag uitroepen:

„Dan bluscht Hij mijn fakkel,

Dan kruist Hij miju pad,

En leidt me aan Zijn vinger Naar de eeuwige stad."

Keeren wij nog eens terug naar Patlimos en hooren wij wat de Geest tot de gemeente zegt, voor zoover wij ooren hebben om te hooren.

„Schrijft," zegt de Geest, „schrijft aan de zeven gemeenten : Ziet, ik kom haastelijk: houdt dat gij hebt, opdat niemand uwe kroone neme. Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den Tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daar uitgaan: en Ik zal op hem schrijven den naam Mijnes Gods, namelijk des nieuwen Jeruzalcms, die uit den Hemel van Mijnen God afdaalt en ook Mijnen nieuwen naam.'"

Zalig, heerlijk vooruitzicht voor hem, die overwint, want alleen zij, die overwinnen, zullen in die zaligheid deelen. Maar, vragen wij aan u en aan onszelven, zullen wij overwinnen ? De Heere weet het. Och! mochten wij maar met Paulus kunnen verklaren: „Niet, dat ik het aireede verkregen heb, maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht."

„Schrijft", zegt de Geest, „schrijft aan den engel van de gemeente der Laodicensen, dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods. Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. Och of gij koud waart of heet! Zoo dan, omdat gij lauw zijt,

Sluiten