Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heere en zijne ziel hebben en eenvoudig als bij was, was ook zijn omgang met den Heere kinderlijk eenvoudig.

Het was op een Hemelvaartsdag, dat bij als gewoonlijk zijne koopwaar naar de stad bracht. Terwijl hij op zijne kar was gezeten, was hij werkzaam met den Heere en mocht zoo zeggen: „Och, Heere! het is wel Uw' rustdag niet, dien Gij hebt afgezonderd, maar Uw stumpert zou zich ook toch zoo gaarne van daag nog eens met Uw volk verlustigen in het zalige feest der Hemelvaart."

Terwijl bij zoo werkzaam was, naderde hij de stad en kwam op een gracht, waar aan de eene zijde vele, en aan de andere zijde geen buizen stonden. Hij dacht: »ik zal op het drukste mijn ankertje maar nederleggen," maar onderwijl kwamen hem deze woorden in bet harte: »Werp uw net aan de andere zijde" ; waarop hij zeide: „Welnu Heere! dan zal ik aan de andere zijde gaan." En zonder zich langer te bedenken deed bij alzoo en in een oogenblik kwamen de koopers in menigte, en onder zijn handel vertelde bij aan de omstanders, dat zij Jezus moesten hebben voor hunne zielen, of dat ze voor eeuwig moesten verloren gaan. Onder die menigte was er één, die hem verweet dat bij dronken was, zooals vroeger, waarop bij antwoordde: »Ja, eertijds was ik dronken, maar de Heere God heeft het gedaan, dat wanneer ik nu dronken ben, zulks alleen is van liefde tot den Heere Jezus."

Een uur later was zijn kar ledig en huppelende van zielevreugde, reed bij naar huis terug, terwijl die dag voor hem onder 's Heeren volk eene zielsverlustiging was.

Niet altijd was bij zoo vroolijk in den Heere. Wanneer de zonde weder levendig werd en bet gebod hem op de ziel drukte, dan was het hem dikwijls bang en werd zijne ziel overstelpt van droefheid, en zoo, onder vallen en opstaan, ging hij zijn weg op, totdat... totdat de Heere kwam om hem uit Mesech

Sluiten