Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakt worden, en een regeling, hoe keurig, een belijdenis, hoe onberispelijk ook, is onmachtig een kerk te vormen, zoo het levend organisme ontbreekt. Laat zij het slechts beproeven, die dat eigen leven der kerk met opzet loochenen, om de kerk van Christus op eigen erve na te bootsen, en weer zal men zien, wat reeds zoo dikwijls aanschouwd werd: met het wegkruien van den zandgrond stort ook hun bouw ineen.

Een organisme dus, — maar ook hier volgt na de wording van het leven het bewustzijn en met dat bewuste leven dus een tweede schepping als voortzetting, voeding en ontplooiing van wat het oiganisme in zich draagt. Dus naast den groei een bouw, een planting maar ook stichting, een wortel maar ook een basis onder haar, — een organisme maar ook een»institu ut." — Bij haar eerste wording had de gemeente dit niet. Meer instinctief was toen haar leven, wijl de volheid van dat leven nog niet was ontleed, de eisch van dat leven nog niet uitgesproken, en zijn optreden in de wereld zich nog beiden liet. En toch, toen reeds traden de apostelen op, om in den groei den bouw te plaatsen. Ze ordenen, ze regelen, ze nemen op en werpen uit, en zoeken het leven een vorm te geven, die het voor doorvloeiing behoedt. De eisch van het instituut was hiermee uitgesproken, ook al heeft de gemeente, zeer tot haar schade, een eeuw schier dien bouw van het instituut verzaakt; zoo zelfs dat eerst de geesel der gnostiek over haar moest komen, en de zelf\ erteering van het Donatisme aan haar leven moest knagen, eer ze haar plicht tot weerinslaan van het apostolisch spoor begreep.

De kerk kan het instituut niet missen, reeds uit dezelfde oorzaak, waarom alle leven onder menschen ontleding en ordening behoeft. Zóó is het met de ziel, zóó met het lichaam, die wel organisch leven, maar nogtans kwijnen, zoo geen regelend bewustzijn ze leidt en geen ordenende hand ze verzorgt. Zóo is het met het recht, dat wel in de menschheid

Sluiten