Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene reden voor: hij mist het hoogste leven. Hij heeft het gehad, dat bewijst zijne ziel, die uit God is en tot Hem wederkeert; hij heeft het verloren, zijn dood predikt ons dit.

Wij wilden u slechts toonen, dat er een hooger en een lager, en dat het hoogste tevens het eeuwige leven is. Wilt, gij hooren hoe wij dit weten? Welnu, dan behoeft gij slechts naar Johannes te luisteren, die zegt dat hij het gezien heeft. Wat de apostel bedoelt moest ik u op Paschen niet behoeven te vragen. Het is immers van Christus, dat hij spreekt, die het verloren leven weder op aarde bracht — het was in Hem, en Hij was het. Nu weten wij tevens wat het hoogste leven is, want dit is in Christus te vinden.

Onlangs zag ik een dronkaard, die laat in den avond naar huis waggelde, terwijl zijne vrouw snikkende naast hem liep, en een paar kameraads, wier toestand weinig beter was dan de zijne, en die nu eens met hem medezongen, schreeuwden, moest ik zeggen, en dan weder onder allerlei scheldwoorden en vloeken verder dreven. Ik dacht: „welk een dierlijk leven leidt die man"! Dat zeker is het leven van Christus niet.

Een zonderling antwoord kreeg ik onlangs van een grijsaard op de vraag: „Hoe oud zijt gij wel?" „Ik ben nog maar twintig jaar oud," zeide hij, „want toen werd ik eigenlijk eerst geboren." Wat zou hij daarmede bedoeld hebben? Wat anders dan dat hij het ware leven vroeger niet had bezeten, het leven Gods, het leven door wedergeboorte verkregen. Die man was wel geen dronkaard geweest, maar hij had voor zichzelven en voor de wereld geleefd. Hij kende het leven des geloofs en der liefde toen niet, en kon niet zeggen met Jezus: dat het zijn lust, dat het hem eten en drinken was om den wil van God te doen. Hij leidde wel geen slecht, maar toch een zondig en bloot natuurlijk leven; — zulk een was het leven van Christus niet.

Sluiten