is toegevoegd aan uw favorieten.

Het kerkelijke dogma

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij heeft den weg over Golgotha moeten gaan om de zuivere werkelijkheid, de opstanding, te bereiken. Daarom zijn wij tot dogmatische armoede gehouden. Wie het evangelie predikt „faut marcher par des chemins battus, dire ce qui a été dit, et ce que 1'on prévoit que vous allez dire. Les matières sont grandes, mais usées et triviales; les principes sfirs, mais dont les auditeurs pênètrent les conclusions d'une seule vue" (La Bruyère).

Wat door het dogma uitgesloten wordt kan men op twee noemers brengen; de platonische „anamnese" en wat men heden ten dage gaarne het „existentiëele" noemt. Ze zijn de aanwijzing van de beschouwende en de werkende zijde van het menschenleven, voorzoover die aan zich zelf worden overgelaten. Tegenover beide is het dogma door armoede gekenmerkt. In verband met de eerste heb ik reeds op Augustinus gewezen. Voor de uitsluiting van het existentiëele als eigen sfeer vraagt Calvijn hier nog onze aandacht, vooral ook omdat dit heden ten dage zoo actueel is. Dat „die Heilige Schrift... der Riegel (ist), der der platonischen Anamnese tactisch geschoben ist"1) wordt door velen erkend. De wissels van het idealisme worden door theologen sterk critisch bekeken. Maar naar de andere zijde is men minder op z'n hoede. Ook hier echter is de weg die over Augustinus naar Calvijn loopt, de veiligste. Luther heeft weinig aandacht geschonken aan de gevaren, die de prediking en het geloof van de existentie uit bedreigen. Hij heeft het trinitarisch dogma niet op den staat toegepast, wat Augustinus wel had gedaan. Hij heeft die wereld, waar in den nieuwer en tijd vooral de homo faber*) zoo sterk zijn contacten en instincten uitleeft, niet genoeg onder de prediking gesteld. Naar die zijde is zijn dogmatiek sterk oncritisch gebleven. Hij heeft den staat existentiëel naast het evangelie aanvaard en daarmee een heel stuk van ons leven op eigen wortel laten staan, zoodat de kerk ten slotte in het idealisme moest vluchten. Calvijn zag in, dat dit niet mocht. Ik ben het volkomen eens met prof. Haitjema, als hij zegt: „Voor mij staat het vast, dat de as, de spil van heel het theologisch denken van Calvijn gezocht moet worden in zijn kerkstaat-ideaal" 3). Er is weinig van te merken, dat de anamnese den hervormer veel te stellen heeft gegeven. Deze nuchtere geest heeft gemakkelijker dan de bisschop van Hippo de soberheid van het christelijk denken leeren oefenen. Maar met de latijnsche staatsgedachte heeft bij een strijd op leven en dood bestaan. Voor heel die existentiëele sfeer in en achter den staat was er in zijn dogmatiek geen zelfstandige plaats. Hij geeft daaraan niet een eervolle vooraanzitting in een leer der Schepping, maar zet ze op de achterste bank. bij de uitwendige middelen, waardoor het geloofsleven moet worden beschermd4). De heele 16e eeuw en in Engeland een groot gedeelte van de 17e wordt hierdoor gekenmerkt, dat kerk en staat niet meer, zooals in den tijd der rhetorisehe dogmatiek, even-

l) Barth, a. a. O. 103. *) de mensch voorzoover hij handen heeft ») Vox Theologica, December 1931, 70. «) Instit. IV. t, 1.