is toegevoegd aan uw favorieten.

Uw werk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een werk in ulieder dagen, 't welk gij niet gelooven zult als het verteld zal worden," en dan vers 6: „Want ziet, Ik verwek de Chaldeën, een bitter en snel volk, trekkende door de breedten der aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn."

En dan schildert de profeet de veroveringszucht en de onweerstaanbare macht van de Chaldeën, die als een geweldige stormwind heentrekken.

Maar ten laatste wordt de Chaldeër, die toch ook door God verwekt is, dus slechts een instrument in Zijne hand, overmoedig. Lees vers 11: „Dan zal hij den geest veranderen en hij zal doortrekken en zich schuldig maken, houdende deze zijne kracht voor zijnen God." Dan ook grijpt de profeet weer moed. De overmoed wordt den vijand ten val, ten ondergang.

„Zijt Gij niet van ouds af de Heere, mijn God, mijn Heilige? wij zullen niet sterven, o Heere!" zoo jubelt hij, want „tot een oordeel hebt Gij hem gesteld, en o Rots! om te straffen hebt Gij hem gegrondvest."

De Heere zal straks weer dien overmoedigen vijand straffen en Zijn volk bevrijden.

Welnu, dat ziet de profeet in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 1:11einde ziet hij door geloof, dat het zoo zal worden. In hoofdstuk 2 laat de Heere hem zien, dat het werkelijk zoo zal zijn. „De rechtvaardige zal door het geloof leven." Babel zal op zijn beurt vallen. Lees slechts 2:8: „Omdat gij vele heidenen beroofd hebt, zoo zullen alle overgeblevene volken u berooven, om het bloed der menschen en het geweld aan het land, de stad en alle inwoners derzeive."

De profeet heeft zijne zending volbracht. Eerst wijst hij de Chaldeën aan als tuchtigers van Juda. Dan teekènt hij die Chaldeën als overmoedig op hun macht. Eindelijk spreekt hij van het oordeel, dat dien vijand wacht.

Maar ofschoon hij zijn opdracht vervuld heeft, hij eindigt niet, alleer hij blijkens hoofdstuk 3 een gebed heeft opgezonden voor zijn volk, en dat met het oog op de toestanden, welke hij heeft geschilderd, met het oog op den profetischen last, dien hij heeft gezien.

Hoofdstuk 3 begint dan ook: „Een gebed van Habakuk den profeet op Sjigjonoth." Het is tevens bestemd als lied „voor den opperzangmeester op mijn Neginoth", zoo zegt hij aan 't eind.

Heilige ontroering heeft zich van hem meester gemaakt: „Heere, als ik Uwe rede gehoord heb, heb ik gevreesd", en zoo gaat hij dan voort.