is toegevoegd aan uw favorieten.

Over inhoud en oorsprong van Israëls heilsverwachting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgehelderd. In allen gevalle is het niet natuurlijk dat het kleinste volk der wereld zoodanige verwachting zich aanmatigt. Waarom is van de onder vrij wel dezelfde omstandigheden levende en zoo naverwante volken Edom en Moab en Ammon geen soortgelijke verwachting bekend? Waarom zijn niet veeleer Babyion en Egypte de bakermat van dat de wereld omspannend uitzicht?

B. Stade zoekt in de volkseschatologie den oorsprong der heilsverwachting. „Bij het oude Israël heerschte, verklaart hij, het naïeve geloof aan den onbegrensden voortduur van het volk van Jahve. De splitsing des rijks bracht daarin een bedenkelijke scheur; men kwam de daaruit voortgesproten ellende te boven door het geloof, dat Jahve tenslotte zijn volk te hulp zou komen, Israëls vijanden verslaan en een tijdperk van geluk zou doen aanlichten."

Maar ook deze verklaring verklaart niet — met recht mag dat een naïef geloof worden genoemd, doch waarop steunt dat naïeve geloof? rondom Israël verschijnen en verdwijnen volken; welke bijzondere reden heeft Israël om, met twee wereldrijken als naburen, te verwachten, dat het een uitzondering zal maken — en wederom waarom kent alleen dit volk een verwachting die in haar volle ontplooiing — en dit beslist over haar waarde — als geheel eenig zich voordoet?

Zoodoende is het alleszins begrijpelijk, dat men uitgaande van het feit dat het gericht geteekend wordt in termen naar allen schijn aan een wereldondergang ontleend, en het heil geschilderd met kleuren welke een wereldherschepping veronderstellen, aan vreemde herkomst heeft gedacht. Het O. T. zelf trouwens plaatst het eerste gloren dier verwachting aan den aanvang van ons geslacht,. en spreekt dus als zijn overtuiging uit, dat Israël in die zeer algemeen gehouden verwachting niet alleen staat — evenzeer als j2. herhaaldelijk verzekert, dat de uiteinden der wereld verlangend uitzien naar het heil in en door Israël te verwezenlijken. Wij hoorden hier herhaaldelijk Babylonië genoemd — daar zou men zich de gedachte van. een wereldrijk en den daarbij behoorenden wereldheerscher het best kunnen indenken; maar gelijk wij nog eens met nadruk herhalen: een toekomstig wereldrijk en nog wel een geestelijk wereldrijk, het Koninkrijk Gods, den eschatologischen Koning kent het oude Oosten niet; en wat meer zegt — de Babylonisch-Assyrische litteratuur kent ook de verwachting van den terugkeer van het Paradijs niet — ofschoon die litteratuur wemelt van Godsspraken. Geen van de tallooze in spijkerschrift bewaarde orakels beweegt zich ook maar eenigszins op de lijn der O. T.ische heilsverwachting; alle mogelijke partiouliere belangen en Staatsaan gelegenheden zijn het voorwerp der raadpleging, maar nergens vindt men het uitzicht op een afsluitend, alles overtreffend wereldgebeuren waaraan de Paradijsvrede zijn bijzonder karakter verleenen zal.

Het historisch onderzoek ziet zich dus wat het wezen der zaak betreft, vooralsnog op Israël zelf aangewezen, en dan richt zich, daar toch ergens in Israëls geschiedenis de bron van dien levensstroom te ontdekken moet zijn, onwillekeurig de blik naar de groote,