Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den heidenen pogen aan te toonen unum esse Deum, dat er slechts één God is. Ook de Joden aanvaardden die waarheid, maar, zooals gezegd, de Romeinen beschouwden het Jodendom als een nationalen godsdienst, en tegen nationale goden hadden zij geen bezwaar: die konden naast hun goden blijven bestaan. Maar aanvaarden van den God der Christenen beteekende onttroning van de nationale goden van den Romeinschen staat. Zoo kon men het Christendom beschouwen als staatsgevaarlijk, immers de Christenen tastten door hun negeering van den staatscultus den staat zelf aan, en in den staat de maiestas populi Romani. Van zijn standpunt volkomen terecht beschouwt dan ook Plinius de weigering der Christenen om aan de goden te offeren en aan het beeld des keizers goddelijke eer te bewijzen als het criterium van hun Christen-zijn, „quorum nihil posse cogi dicuntur qui sunt re vera Christiani".

Maar ook het leven der Christenen gaf aanstoot. Hun zeden en opvattingen behoorden tot een sfeer, die de heidenen niet begrepen: hun hoop was niet van deze wereld. Zij vormden een gemeenschap, in welke andere normen golden, die zich scheen af te zonderen van de societas generis humani. Zij hielden hun bijeenkomsten, waarin voor de heidenen onbegrijpelijke ceremoniën plaats vonden, en die aanleiding gaven tot den gruwelijken laster van bloedschande en kindermoord: ook hiertegen trekken de apologeten onvermoeid te velde.

Krachtig stelt het heidendom zich te weer: uiterlijk door vervolging, innerlijk door pennestrijd. Onder Domitianus (81—96) vindt de eerste vervolging om des geloofs wille plaats; zelfs Flavius Clemens, een neef van den keizer, en zijn vrouw Flavia Domitilla worden wegens öSeóttis aangeklaagd en veroordeeld. Ook de stadhouders treden hier en daar tegen de Christenen op. Traianus (98 117) verklaart het Christendom voor strafbaar, omdat het de staatsgoden loochent. „Conquirendi non sunt", schrijft hij in zijn antwoord aan Plinius (X, 97), „si deferantur et arguantur, puniendi sunt, ita tarnen ut qui negaverit se Christianum esse idque re ipsa manifestum fecerit, id est supplicando diis nostris, quamvis suspectum in praeteritum, veniam ex paenitentia impetret". Deze brief van Traianus is daarom zoo belangrijk, omdat de voorschriften, die hij hier geeft, ook in de latere tijden

Sluiten