Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denkwijze, welke de politieke rijpheid in alle tijden en bij alle volkeren volgens een zelfde schema bereikbaar acht en die zich zelf in aard gelijk blijft, onverschillig of zij van onder op de bestaande staatsinstellingen omverwerpt, dan wel, een zuiver abstract gedachte staatsregeling van boven af aan het historische volksleven opdringt.

Daartegenover staat een geestesrichting, die meer realistisch van aard is, en meer aan het ding, dan aan den vorm van het ding hecht.

Deze richting tracht telkens die organen te scheppen, welke in de steeds wisselende tijden en omstandigheden het best geschikt schijnen, om de bestaande volkskrachten tot uiting en tot ontwikkeling te brengen, zonder zich op te houden met de vraag, of dergelijke instellingen voor de politieke vooroordeelen van eigen tijd of eigen volk al dan niet als „democratisch" gelden, overtuigd als zij zijn, dat dezelfde instellingen, die voor een volk op een bepaald vlak van ontwikkeling democratisch kunnen zijn, voor een ander volk van andere geaardheid een werktuig kunnen worden van verdrukking en van onvrijheid.

De eerste voorwaarde voor eene door deze grondgedachte gedrenkte politiek is natuurlijk een intieme kennis van het volk, dat men tot politieke zelfstandigheid brengen wil en daarnevens eerbied tegenover dat volk, opdat men niet begeere dat volk naar eigen inzicht of eigen ideaal te hervormen, maar het te erkennen en te leiden volgens zijne bizondere eigenaardigheid.

De tweede voorwaarde is dat men oog hebbe voor de verscheidenheid op allerlei gebied onder dat volk zelf, en verstaat, dat staatkundige vrijheid en kracht niet verkregen worden door het eenvoudig van boven opleggen eener kunstmatige eenheid, omdat eenheid dikwerf de antithese van vrijheid is.

De eerste richting, die ten onzent vooral door de vrijzinnigen vertegenwoordigd wordt, zou men, met Groen van Prinsterer, als revolutionair-democratisch; de andere, door de historische partijen ten onzent, en vooral door de antirevolutionairen, gerepresenteerde richting daarentegen als historisch-democratisch kunnen kenschetsen.

In overeenstemming met de beginselen dezer laatste richting stel ik mij voor in de volgende bladzijden een schets te geven:

1°. Van den grondslag en de historische ontwikkeling van Nederland's verhouding tot Indië, tot en met het Regeeringsreglement van 1854.

Sluiten