Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een gevoel van verplichting om ook aan deze minder ontwikkelde volken de zegeningen van een ordelijk bestuur te brengen. Doch het nieuwe beginsel was nog niet zoover doorgedrongen, om ook reeds in dit opzicht actief te kunnen werken. Afgezien nog daarvan, dat de finantiëele positie van het moederland dergelijke uitbreiding van bemoeiingen, naar men meende, niet toeliet.

In het groote zoogenaamd indirect bestuurde gebied was de Nederlandsche bestuursbemoeienis althans op de Buitenbezittingen over het geheel feitelijk nihil.

In het direct bestuurde gebied was het Bestuur opgedragen voornamelijk aan residenten, assistent-residenten en controleurs. Voor het eigenlijke Bestuur der bevolking werd gebruik gemaakt van de diensten der inheemsche Hoofden; op Java o. a. van de regenten. Men hoede zich echter voor de opvatting, dat in deze deelname aan het Bestuur door inlanders eene tendenz tot de toekenning van zelfbestuur of van autonomie moest worden gezocht. Deze Hoofden toch werden door de bevolkingen geenszins als hare vertegenwoordigers gevoeld; de zaak kwam hierop neêr, dat de Nederlandsche autocratie heerschte door middel van de regenten der onderworpen inheemsche autocratie, welke zij, door ze in hunne oorspronkelijke positie zooveel doenlijk te handhaven, tot hare gewillige en zooveel mogelijk afhankelijk gehouden werktuigen had weten te maken.

Deze autocratie werd slechts getemperd door de steeds meer doordringende gedachte van het Regeeringsreglement van '54, dat de bescherming van den inlander tegen willekeur, ook zijne^ eigen Hoofden, eischte, welke gedachte vooral in de werkzaamheden der controleurs praktische toepassing vond.

De eenige, overigens zeer zwakke en door ons geenszins gesteunde, vorm van zelfregeering in democratischen zin, die restte, werd gevonden in de plaatselijke inlandsche gemeenschappen.

Zooals uit het bovenstaande blijkt, was dus het Centrale Bestuur reeds van den aanvang af gedecentraliseerd in eene mate, die volkomen voldeed aan de eischen van dien tijd. De resident en de assistent-resident waren oudtijds in hooge mate zelfstandige, territoriale vertegenwoordigers van het Centrale gezag. Planter, wegenbouwer, ingenieur, politierechter, ambtenaar van den burgerlijken stand, notaris en nog veel meer, was hij bestuurder in den vollen zin des woords. In dien zin, dat hij niet alleen de uitvoerder was van de bevelen van Buitenzorg, maar een ruim veld had voor eigen initiatief.

Sluiten