Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tuchtigde God, maar nog wilde men niet hooren. En als er nu nog een overblijfsel is en zelfs de dageraad van een schooner dag soms aan de kimmen te lichten schijnt, ik vraag u, is er dan reden van klagen over God of wel reden van klacht over onze zonden ? O ! laat het overblijfsel dat zucht vanwege de gruwelen, die er worden gedaan dan nooit weigeren schaamrood te worden, dan pijn gevoelen als de Heere slaat, dan kloppen op de heup, hebbende berouw van de zonde. Dat het uitroepe als een Joël in de dagen der benauwdheid: scheurt uw hart en niet uwe kleederen, en bekeert u tot den Heere — wie weet! Hij mocht zich wenden en berouw hebben.

Zoo drijft de erkentenis der oordeelen tot de innige bede, opklimmend tot God in den hemel: haast u, laat uwe barmhartigheden ons voorkomen, help ons o God onzes heils en red ons, doe verzoening over onze zonden.

Aldus pleit de dichter voor zijn diep ellendig volk.

Het is een diep ingrijpende belijdenis die in deze bede wordt afgelegd, en een groote genade die in dit roepen van God wordt begeerd. Het is een lied uit de diepte opgezonden, een kreet tot den almachtigen God, die het belijdt dat Hij alleen helpen kan, en dies ook erkent dat bij den dichter zelf en zijn volk geen kracht tot uitredding te vinden is.

Reeds volgt dit uit de treffende schildering van Juda's nood. Jeruzalem een steenhoop! de gevangenen kermend! de overigen genoemd kinderen des doods (vs. 11).

Ja de wijzen, de machtigen en edelen die vol zelfvertrouwen in hun denkkracht en sterkte roemden, zij zijn beschaamd. Het overblijfsel heeft geleerd zich in ootmoedige zelfkennis te buigen en in zijn roepen uit te gaan van

Sluiten