Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van de verdorvenheid en ellende des menschen.

Nadat Adam recht en goed geschapen was, te weten, heilig, rechtvaardig, onsterfelijk, en tot een heere gezet over alle schepselen, welke God geschapen had, is hij niet lang in dezen staat gebleven, maar is door de listigheid van den satan, en zijne eigene ongehoorzaamheid, van deze schoone heerlijkheid vervallen, en heeft alzoo het verderf van den tijdelijken en eeuwigen dood over ons allen gebracht. Dit is de erizonde, waarvan David in den psalm spreekt, zeggende: Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen. Desgelijks zegt ook Paulus tot de Romeinen, dat door éénen mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzoo de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.

Door Adam zijn alle menschen in den dood gekomen.

Want zoo haast als Adam aldus gevallen was, is hij terstond in eene zekere vervloeking gekomen, gelijk wij lezen in Genesis, daar God zegt: Zoo zij het aardrijk om uwentwille vervloekt, en met smart zult gij daarvan eten alle de dagen uws levens; en in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeeren. Waaruit wij zekerlijk weten, dat alles, wat leven ontvangt, eenmaal moet sterven Dit getuigt David duidelijk, zeggende . Wat man leeft er, die den dood niet zien zal? Want Salomo zegt: De levenden weten dat zij sterven zullen. Want wij hebben hier geene blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. En in de Hebreen staat geschreven, dat het den mensch gezet is eenmaal te sterven, en daarna het oordeel. Want, gelijk de Schrift zegt, wij zullen allen den dood sterven, en wezen als het water, dat ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. Want onze dagen (zegt Job) zijn als de dagen des daglooners en lichter dan een looper. En wij varen (spreekt Mozes) daar henen als een stroom. Ja gelijk een blad, dat de wind •verdrijft, en een droge stoppel, en een kleed, dat de mot opeet. Want het stof keert wederom tot aarde, als het geweest is; en de geest weder tot God, die hem gegeven heeft. Gelijk Job zegt: Leem zijn wij en tot stof moeten wij wederkeeren. Insgelijks zegt ook Jacobus, dat des men¬

schen leven is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt. Ja onze leeftijd vaart weg gelijk eene wolk, en vergaat gelijk een nevel, en verdwijnt ook gelijk eene schaduw. En ook Petrus zegt (aanhalende uit Jesaja), dat alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen als eene bloem van het gras; het gras is verdord en zijne bloem is afgevallen. Wederom zegt Jezus Sirach: Het verbond van eeuwigheid is dit: Gij zult den dood sterven. Gelijk een groenend blad op eenen dichten boom: eenige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; alzoo is het met het geslacht des vleesches en des bloeds; het een sterft en het ander wordt geboren. Gelijk Salomo zegt: Alles heeft eenen bestemden tijd; er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven.

Van den gezetten tijd des menschen.

En deze tijd staat in des Heerenhand; gelijk Job zegt: Zijne dagen zijn bestemd, het getal zijner maanden is bij God, en Hij heeft zijne bepalingen gemaakt, die hij niet overgaan zal. Hetwelk ook Paulus zegt, dat God bescheiden heeft de tijden tevoren verordend, en de bepalingen van hunne woning. En David zegt, dat God onze dagen eene handbreed gesteld heeft, en onze leeftijd als niets voor Hem is; immers is een ieder mensch, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Want onze dagen zijn lichter dan eene weversspoel, en dan een looper. Ook zijn wij hier maar gasten en vreemdelingen voor eenen kleinen tijd. Want aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of zoo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen. En als wij lang leven, zoo leven wij honderd jaren. Gelijk een droppel water is, vergeleken met het water van de zee, even weinig zijn onze jaren, vergeleken met, de eeuwigheid. En Petrus zegt, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. Alzoo zijn onze jaren, te rekenen bij de eeuwigheid.

Van den val en de ellendigheid des menschen.

Dewijl wij nu, volgens de Heilige Schrift., allen sterven moeten, wie zoude niet hartelijk naar den dood verlangen, als wij zien, in wat staat en verderf wij door Adam gekomen zijn, te weten, in alle ongerech-

Sluiten