Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geworden, maar ze weken uit naar Corinthe om het bevel van Claudius, dat alle Joden uit Rome vertrekken moesten, ontmoetten daar Paulus en reisden met hem naar Efeze; daar werkten zij een tijd lang met hem samen en bleven er achter, toen Paulus doorreisde naar Jeruzalem. In Efeze ontvingen ze dezen zegen op hun arbeid, dat zij aan Apollos den weg Gods nauwkeuriger konden uitleggen; en zoo arbeidden ze op hunne reizen in de zending voort, en brachten zij eene schare van discipelen toe, Hand. 18:2, 18, 19, 26, Rom. 16 : 3, 4, 1 Cor. 16 : 19, 2 Tim. 4: 19. Harnack kwam hierdoor op het vermoeden, dat Priscilla, die dikwerf vóór haar man wordt genoemd, en Aquila de auteurs waren van den brief aan de Hebreeën, maar dit gevoelen is meer geniaal dan gegrond. Ook volgt uit dezen arbeid niet, dat Priscilla in den ambtelijken zin als leerares optrad; maar zij en haar man werkten toch met Paulus en anderen mede in de verbreiding van het Evangelie. Plinius maakt dan ook in zijn brief aan keizer Trajanus gewag van twee Christelijke vrouwen, die ministrae (dienaressen) genoemd werden. Clemens Alexandrinus zegt, dat de vrouwen, die den apostel Paulus op zijne zendingsreizen vergezelden, medewerkten in de leer, en, terwijl de apostelen het Evangelie aan de mannen verkondigden, het Evangelie aan de Heidensche en Joodsche vrouwen brachten, niet in het openbaar, maar privaat in de huizen. En Chrysostomus getuigt van de vrouwen, die met de apostelen mede-arbeidden, dat zij de baan van apostelen en evangelisten betraden, niet door in het openbaar in de vergadering der geloovigen het Evangelie te verkondigen, maar wel door in privaat gesprek of ook wel door andere diensten (gastvrijheid) bij de verbreiding des Evangelies behulpzaam te zijn.

Zooals de genoemde plaatsen recht geven, om bij de verbreiding van het Evangelie van een hulpdienst der vrouwen te spreken, zoo wijst 1 Tim. 5 : 9, 10 ons, ten tweede, op zulk een hulpdienst bij het presbyteraat (opziener- of ouderlingschap). Wel is waar is ook in Tit. 2 : 3—5 van bejaarde vrouwen sprake, die in heel haar handel en wandel zich zoo gedragen moeten, als den heiligen be-

De Vrouw ,

Sluiten