Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na het verlaten der lagere school. Voor verreweg de meeste kinderen is de lagere school tevens het eindonderwijs; in de uitgave van het Bestuur van het Congres voor Kinderbescherming over Het Herhalingsonderwijs in Nederland en in het Buitenland,') werd berekend, dat ongeveer 200.000 kinderen van elk voortgezet onderwijs verstoken blijven; en volgens Mevrouw M. van Reenen—Völter verlaten ongeveer 67.700 meisjes jaarlijks de lagere school; ongeveer 1000 van deze meisjes ontvangen verder onderwijs aan Hoogere Burgerscholen, Gymnasia of aan scholen van meer uitgebreid lager onderwijs, en ongeveer 2700 meisjes bezoeken de verschillende vakscholen.3) Zonder nu overdreven eischen te stellen of de menigmaal harde werkelijkheid uit het oog te verliezen, mag men toch wel als zeker aanemen, dat een grooter aantal meisjes zonder eenig bezwaar van het voortgezet lager of van het vakonderwijs gebruik zouden kunnen maken, dan blijkens deze cijfers het geval is. Deze cijfers zijn toch inderdaad bedroevend laag; ze bewijzen, hoe gering bij het volk over het algemeen de belangstelling in het onderwijs is en hoe groote rol het eigenbelang daarbij speelt.

Want de ervaring leert, dat het onderwijs op de lagere school tot den 12 a 13-jarigen leeftijd toe voor de meeste kinderen in het leven onvoldoende is en meer en meer onvoldoende wordt. Daarbij komt, dat jongens en meisjes, zoodra leerplichtwet en arbeidswet het veroorloven, als werkkracht gebruikt kunnen worden in winkel, kantoor, werkplaats, atelier enz., en dan reeds spoedig eenig loon gaan verdienen. Eerst brengen zij dit loon nog geheel of gedeeltelijk thuis, maar krijgen dan voor het gezin reeds eene beteekenis, welke hun eenig recht van meespreken geeft. De ouders worden van hen afhankelijk, verliezen hun gezag en macht, en weten deze ook menigmaal niet op geschikte wijze te handhaven. Als de jongens en meisjes overdag hun werk hebben verricht, hebben ze zelden lust,

') Amsterdam 1913 bl. 79. Verg. mijne Opvoeding der rijpere jeugd bl. 128, 221.

2) Rapport t. a. p. II 915. Maar deze getallen zijn thans veel te laag, zie later bl. 185.

Sluiten