Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het onderzoek eenerzijds van de anthropoïde apensoorten en andererzijds van allerlei beenderen, schedels, abnormale menschen, mikro■cephalen, dwergen enz., is geëindigd met te constateeren, dat het onderscheid van dier en mensch wezenlijk is en altijd heeft bestaan 1). Algemeen is dan ook erkend, dat geen apensoort, zooals ze thans bestaat of bestaan heeft, de stam van het menschelijk geslacht kan zijn 2). De sterkste verdedigers van het Darwinisme geven toe, dat «r een overgangssoort moet aangenomen worden, waarvan echter het geringste spoor tot dusver niet gevonden is. Virchow zeide op ■de vergadering van natuurvorschers in 1894: Bis jetzt is noch kein Afte entdeckt worden, der als der eigentliche Urvater des Menschen betrachtet werden konnte, auch kein Halbaiïe. Diese F rage steht nicht mehr im Yordergrund der Eorschung s). Bovenal echter blijft het Darwinisme in de vierde plaats de verklaring schuldig van den mensch naar zijne psychische zijde. Darwin begon met de poging, om alle geestelijke verschijnselen bij den mensch, bewustzijn, taal, religie, zedelijkheid enz. uit verschijnselen afteleiden, die bij •de dieren voorkwamen 4), en vele anderen zijn hem daarin gevolgd. Maar ook deze pogingen zijn tot dusver niet geslaagd. Evenals het wezen van kracht en stof, de oorsprong der beweging, het ontstaan des levens, de teleologie, behooren ook het bewustzijn, de taal, de wilsvrijheid, de religie, de zedelijkheid nog tot de Weltrathsel, die op oplossing wachten. De gedachte, die zuiver geestelijk is, staat tot de hersenen in eene gansch andere verhouding dan de gal tot de lever en de urine tot de nieren. De taal is en blijft naar het woord van Max Miiller de Rubicon tusschen ons en het ■dier. De psychologische verklaring van den godsdienst is onhoudbaar. En de afleiding van de zedelijkheid uit de sociale instincten laat aan de autoriteit der zedewet, aan het categorische van den

■de pithecanthropus erectus van Dubois een gibbon was. Bew. d. Gl. 1900 bl. 80. Verg. Wasmann, Die mod. Biol. '296 v.

) Pfaff> Schöpfungsgesch. 721, en Wasmann in zijn bovenaangehaald werk. •) Haeckel, Der Kampf um den Entwicklungsgedanken 58.

3) Bij Hettinger, Apol. III 297. Reinlce, Die Entw. der Naturwiss. insbes. der Biologie usw. 1900 bl. 19. 20 zeide dan ook: rückhaltlos müssen wir bekennen, ■dass kein einziger völlig einwurfsfreier Beweis ftir ihre ('s mensehen dierlijke .afstamming) Richtigkeit vorliegt. Verg. ook Branco bij Wasmann, Die mod. Biol. •302 v. en Wasmann zelf 296.

) Darwin, Afst. des menschen hoofdst. 3—4 en The expression of emotions in man and animals 1872.

Sluiten