Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gen. 1: 28, de Goddelijke goedkeuring, Gen. 1: 31, het proefgebod, Gen. 2 :17, de naamgeving der dieren, Gen. 2:19, de uitspraak over Eva, Gen. 2 : 23, 24, de wijze der verzoeking, Gen. 3 : lv., en de houding van Adam en Eva na den val, Gen. 3 : 7 v. bewijzen te over, dat de eerste menschen niet indifferent, maar positief goed zijn geschapen. Het eenige tegenbewijs zou daaraan ontleend kunnen worden, dat bij de eerste menschen de schaamte ontbrak. En die is dan ook altijd door de tegenpartij als een zeer krachtig argument te berde gebracht1). Dit kan echter daarom niet gelden, wijl het geslachtsleven vóór den val zeer goed aan den eersten mensch bekend was, Gen. 1: 27, 28, 2 :23, 24, en de schaamte niet uit de ontwaking van het sexueele leven, maar bepaaldelijk uit den val wordt afgeleid. Ten tweede lijdt deze voorstelling aan halfslachtigheid en maakt ze het probleem, dat hier voorligt, nog ingewikkelder. Halfslachtig is ze, inzoover ze eenerzijds de evolutie en toch, op een bepaald punt aangekomen, weer de creatie huldigt. Ze wil van geen schepping van actus weten, maar neemt toch schepping van potentiae aan. Ze spreekt van Fahigkeit ohne Fertigkeit; en acht de schepping van een kind, beide in physischen en in psychischen zin, eenvoudiger en redelijker dan van een volwassene. Dit is nu op zich zelf reeds ongerijmd, want wie de potentiae door schepping laat ontstaan en niet door evolutie, kan tegen de leer van de justitia originalis en den status integritatis principieel geen bezwaar meer hebben. Maar het maakt de zaak ook nog moeilijker te denken bovendien. Eene potentie ontwikkelt zich niet uit zichzelf zonder meer tot actualiteit. Max Müller zeide terecht: wenn wir es versuchen wollten, uns den ersten Menschen als Kind geschaffen und allmahlich seine physischen und geistigen Krafte entfaltend zu denken, so künnten wir nicht begreifen, wie er nur einen Tag ohne übernatürliche Hülfe ze leben vermochte 2). In denzelfden geest liet Schelling zich uit: Ich halte den Zustand der Cultur durchaus für den ersten des Menschengeschlechts 3). En ook J. G. Fichte zeide: Es drangt sich die Frage auf, wenn es nothwendig sein sollte, einen Ursprung des ganzen Menschengeschlechts anzunehmen, wer erzog denn das erste Menschenpaar? Erzogen mussten

') Harelock Ellis, Geschlechtstrieb und Schamgefühl. Leipzijj 1900. Wijnaendls Francken, Ethische Studiën. Haarlem 1903 Lil. 110—128.

2) Max Müller, Vorles. iiber die Wiss. der Sprache I3 410.

*) Schelling, Werke I 5 bi. 28(j v. li bl. 57 v. II 1 bl. 238 v.

Sluiten