Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in die tota praestantia, qua eminet hominis natura inter omnes animantium species, en dat het verder, proinde, ook bestaat in de integritas 1). En hiermede stemmen alle Gereformeerden overeen 2); eerst Coccejus 3) droeg eene andere meening voor en leerde, dat de ziel en hare eigenschappen wel onderstelling, maar niet inhoud van het beeld Gods waren; zij waren het doek als het ware, waarop het beeld door God geschilderd was, maar dit bestond zelf alleen in de gaven blijkens 2 Cor. 3 :18, Ef. 4:24, Col. 3 : 10. Anderen drukten het zoo uit, dat het beeld Gods antecedenter in natura spirituali, formaliter in sanctitate, consequenter in dominio bestond 4). Meest echter bleef men spreken van het beeld Gods in ruimer en in enger zin. Zij lazen toch in de H. Schrift, dat de mensch eenerzijds na den val nog beeld Gods heet en als zoodanig geëerbiedigd moet worden, Gen. 5:1, 9:6, Hand. 17 : 28, 1 Cor. 11 : 7, 1 Jak. 3:9, en dat hij toch aan den anderen kant den voornaamsten inhoud van het beeld Gods, nl. de kennis, de gerechtigheid en de heiligheid verloren heeft, en deze eerst weder in Christus terug ontvangt, Ef. 4:24, Col. 3 :10. Door dit onderscheid in de Schrift op te merken en in hunne theologie op te nemen, hebben de Gereformeerden den baüd vastgehouden tusschen de physische en de ethische natuur van den mensch en alzoo ook op dit punt, de verhouding tusschen natuur en genade, voor allerlei dwaling zich behoed. Daarbij kwam nu al spoedig nog eene andere onderscheiding, die vooral in de leer van het foedus operum werd uitgewerkt. Deze gaf antwoord op de vraag, niet wat Adam was, maar wat Adam worden moest. Eerst in deze drie punten, het beeld Gods in ruimer zin, het beeld Gods in enger zin, en de ontplooiing of bestemming van het beeld Gods, d. i. in de leer van het werkverbond, is de locus de imagine Dei volledig te behandelen.

290. Tusschen Rome's leer en die van de Reformatie over het beeld Gods is er een diep verschil, dat over de gansche theologie zich uitbreidt. Dit verschil ligt niet in de uitdrukking justitia

') Calvijn, Inst. I 15, 2. II 12, 6. Comm. op Gen. 1 : 26, 9 : 6, Jak. 3 : 9. s) Zanrhius, Op. III 486. 477 v. Ursinus, Catech. qu. 7. Mnrtyr, Loei c. 46 v. JPolanus, Synt. theol. V 34. Synopsis XIII 36. Leydecker, Fax \ erit. 395 enz.

8) Coccejus, S. Theol. XVII § 12—24. Verg. ook Heidegger, Corp. Theol. VI 119. Braun, Doctr. £oed. I 2, 15, 5 v.

4) Turretinus, Theol. El. V qu. 10 § 6. Ryssenius, Theol. 178. Witsius, Oec. focd. I 2, 11. Brakel, Red. Godsd. X 25.

Sluiten