Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestond veel meer in datgene, wat de mensch door eigen krachtsinspanning verwerven moest, dan in hetgeen hem bij de schepping terstond werd geschonken. Daarentegen sloeg de supranaturalistische opvatting tot een ander uiterste over en schreef aan den status integritatis een geheel bovennatuurlijk karakter toe. Niet alleen werd de justitia originalis voor een donum supernaturale gehouden, de onsterfelijkheid als een bijzonder beneficium conditoris beschouwd en alle vatbaarheid voor lijden en smart aan Adam ontzegd >); maar sommigen, zooals Gregorius van Nyssa, Johannes Damascenus, Böhme e. a. oordeelden, dat de mensch vóór den val, wijl onsterfelijk, geen spijze noodig had 2); de excretie zou in elk geval zonder eenige indecentia hebben plaats gehad 3); de spijze des menschen zou volgens de meeste kerkvaders, scholastici, Roomsche, Luthersche, Remonstrantsche en ook volgens sommige Gereformeerde theologen zooals Zwingli, Musculus, Martyr, Zanchius, Junius, Piscator enz. alleen in planten en niet in vleesch hebben bestaan; de generatie zou zonder eenigen zinnelijken lust zijn geschied, en de kinderen zouden niet sprakeloos en hulpbehoevend geboren en zeer spoedig opgegroeid zijn *); velen gingen nog verder en meenden, dat de voortplanting in het geheel niet per coitum zou geschied zijn 5); de mensch werd eerst androgyn geschapen, de schepping der vrouw is reeds een bewijs van den valr'); de vrouw was dus eigenlijk niet het beeld Gods en de menschelijke natuur deelachtig • . Zelfs werd door Origenes, de lichaamlijkheid en alle ongelijkheid onder de menschen uit een val der praeëxistente zielen afgeleid, of ook werd aan den mensch vóór den val een gansch ander

') Augustinus, de civ. XIV 26. Thomas, S. Th. I qu. 97 art. 2

2) Petavius, de sex dier. opif. c. 7.

3) Thomas, S. Theol. 1 qu. 97 art. 3.

') Augustinus, de pecc. mer. et rem. I 37. 38. Lombardus, Sent. II dist. 20.

Thomas, S. Theol. I qu. 98 art. 1,

■) Augustinus, Retract. I 10. Gregorius Nyss., de hom. opif. 16. 17. Damascenus,

de fide orthod. II 30.

6) Zoo reeds de Joden bij Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. 202 v. en dan voorts Erigena, de div. nat. II 6. 10. 23 IV 12 en vele theosophen Böhme, Oetinger, Baaiier, Schelling, Lange, Dogm. II 324 v. Delitzsch, Bibl. Psych. 102 v. Hofmann, Weiss. und Erf. I 65 v. Schriftbew. I2 403 v. enz.

') Verg. bij Augustinus, de trin. XII 7. Thomas, S. Th. I qu. 93 art. 4 qu. 99 art. 2. Bonaventura, Sent. II dist. 16 art. 2 qu. 2 dist. 20 art. 1 qu- 6. Gerhard, VIII c. 6. Quenstedt, II p. 15. Jansen, Gesch. des deutechen Volkes VI 1888 S. .395—397.

Sluiten