Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichaam dan het onze toegeschreven1). En in verband met dit alles werd het paradijs dikwerf zeer idealistisch of zelfs allegorisch opgevat; de dieren stierven er niet, wild en onrein gedierte bestond er niet, de roos bloeide zonder doornen, de lucht was veel reiner, het water veel zachter, het licht veel helderder 2).

Toch werd door allen erkend, dat Adam het hoogste nog niet bezat. In het proefgebod, de kiesvrijheid, de mogelijkheid van zonde en dood lag dit vanzelf opgesloten. Vooral Augustinus maakte duidelijk onderscheid tusschen het posse non peccare en posse non mori, dat Adam bezat, en het non posse peccare en non posse mori, dat met de verheerlijking aan den eersten mensch in geval van gehoorzaamheid geschonken zou zijn en nu uit genade aan de uitverkorenen wordt verleend 3). Zelfs werd door Augustinus van die verhouding, waarin Adam oorspronkelijk stond, als van een verbond, testamentum, pactum gesproken 4); en de vertaling van de woorden eind door: als Adam, leidde velen tot eene gelijke opvatting5). Zakelijk komt de leer van het later zoo genoemde werkverbond dus ook reeds bij de kerkvaders voor. In den toestand van Adam, gelijk die door de scholastiek, de Roomsche, de Luthersche theologen werd opgevat, liggen al de elementen opgesloten, die later bepaaldelijk door de Gereformeerden in de leer over het foedus operum zijn samengevat 6). Van de relatie, waarin de geloovigen door Christus tot God komen te staan, is menigmaal in de Schrift de naam verbond gebruikelijk. Reeds Zwingli en Bullinger grepen deze gedachten der Schrift aan, om de eenheid van Oud en Nieuw Testament tegen de Anabaptisten te verdedigen. Toen nu naar het voorbeeld der Schrift de Christelijke religie als een verbond werd voorgesteld, gaf Paulus met zijn parallel tusschen Adam en Christus er aanleiding toe, om ook den status integritatis als een verbond te denken. In onderscheiding van het foedus gratiae heette dit dan het foedus naturae of operum. Verbond der natuur werd het genoemd, niet als zou het uit de natuur Gods of

') Origenes, c. Cels. I 32. 33. de princ. II 9. Cf. de Ophieten bij Liechtenhau, art. in PRE3 XIV 404—413 en voorts Böhme, Ant. Bourignon, Baader e. a.

2) Luther op Gen. 3, verg. Strausz, Gl. I 700 v.

3) Augustinus, de civ. XXII 30. de corr. et gr. 11. Enchir. 104—107. de Gen. ad litt. III 2. VI 25. Op. imp. c. Jul. V 58. VI 5 enz.

*) Augustinus, de civ. XVI 27.

5) Marck, Hist. Parad. II 6. 7.

*) Verg. Lombardus, Sent. II dist. 19. 20.

Geref. Dogmatiek II. 39

Sluiten