Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behalve aan het proefgebod, wel ter dege ook aan de zedewet gebonden was. Hij was niet exlex, al volbracht hij ze ook zonder eenigen dwang, gewillig en nit liefde. Die zedewet was Adam van nature bekend en behoefde dus niet, gelijk het proefgebod, op bijzondere wijze geopenbaard te worden. Zij is in wezen aan de tien geboden gelijk, maar droeg toch een anderen vorm, want de wet op Sinai gegeven, onderstelt de zonden en spreekt daarom bijna altijd negatief: gij zult niet, en de zedewet vóór den val was veel meer positief. Maar juist omdat de zedewet bij Adam uit den aard der zaak geheel positief was, maakte zij de mogelijkheid der zonde voor Adams bewustzijn niet duidelijk. Bij de geboden moest er dus een verbod komen; bij de zedelijke wetten een stellige wet;. bij de geboden, wier natuurlijkheid en redelijkheid Adam inzag, een gebod, dat in zekeren zin willekeurig en toevallig was. In het proefgebod werd heel de zedewet voor Adam op één worp gezet; het belichaamde voor hem het dilemma: God of de mensch, zijn gezag of eigen inzicht, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid of zelfstandig onderzoek, geloof of twijfel. Het was een ontzettende proef, die den weg opende tot eene eeuwige zaligheid of tot een eeuwig verderf. Tegen de Coccejanen hielden de Gereformeerdenstaande, dat tot die zedewet ook het sabbatsgebod behoorde; de mensch vóór den val genoot den eeuwigen, hemelschen sabbat nog niet; evenals aan de wisseling van dag en nacht, was hij ook onderworpen aan die van zesdaagschen arbeid en ruste op den zevenden dag; rustdag en werkdagen waren dus ook vóór den val onderscheiden, het religieuze leven eischte ook toen een eigen vorm en dienst en dag naast het leven der cultuur. De magische, theosophische meening, dat de beide boomen in den hof de kracht om te dooden of levend te maken in zichzelve bezaten, hetzij dan van nature (Thomas, Suarez, Pererius), hetzij op bovennatuurlijke wijze (Augustinus, Bonaventura); hetzij reeds bij het eenmalig 1> of bij het herhaald 2) gebruik; werd door de Gereformeerden, ook al namen sommigen zooals Pareus, Rivetus, Zanchius 3) eerst nog eene werking van het eten der vrucht op het lichamelijk leven aan, met steeds grooter eenparigheid en beslistheid verworpen 4).

') Bellarminus, de gratia primi hom. c. 14.

■) Thomas, S. Theol. I qu. 97 art. 4. Verg. ook Heraut 941.

■) Zancldus, Op. III 501.

4) Calvijn, Inst. IV 14, 12. 18. Comm. op Gen. 2:9, 3 : 22. Marck, Hist. Parad. 1 c. 17. Verdere litt. bij M. Vitringa II 220 v.

Sluiten