Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze opvatting toch is wel in overeenstemming met de Roomsche leer der sacramenten, maar heeft daarom ook voor de Gereformeerden groot bezwaar; zij maakt het leven en den dood onafhankelijk van de ethische voorwaarde, d. i. van het al of niet gehoorzamen aan Gods gebod; zij onderstelt, dat de mensch na den val toch zou zijn blijven leven, indien hij maar ex opere operato had gegeten van den levensboom; zij houdt in, dat het eeuwige leven in eens of langzamerhand bij den mensch bewerkt kon worden door het eten van eene physische vrucht, en miskent dus het onderscheid tusschen het natuurlijke en het geestelijke. Daarom zagen de Gereformeerden in den levensboom liever een teeken en zegel van het verbond der werken, dat op sacramenteele wijze het leven schonk.

Evenzoo werden door de Gereformeerden alle theosophische bespiegelingen over eene mannelijke jonkvrouw, over de afwezigheid van den geslachtslust, over eene magische generatie als met de Schrift in strijd eenparig verworpen J). En evenmin als de schepping der vrouw reeds een zekeren val van Adam onderstelt, is er na het intreden der zonde eene nova species in planten- of dierenrijk bijgekomen; wilde en kruipende dieren zijn volgens Voetius niet eerst na den val maar reeds op den zesden dag geschapen 2). En eindelijk oordeelden Calvijn, en de meeste Gereformeerden, dat het vleescheten aan den mensch ook vóór den zondvloed en vóór den val geoorloofd was geweest 3). Dat Gen. 1 : 29 daarvan niet opzettelijk spreekt, kan als argumentum e silentio geen dienst doen ; in Gen. 1 :30 wordt alleen de plantenwereld tusschen mensch en dier verdeeld; maar van 's menschen heerschappij en recht over de dierenwereld is daar geen sprake; deze zijn al in Gen. 1 :28 aan den mensch geschonken en sluiten zeker, vooral ook met het oog op de visschen, wel het recht om dieren te dooden en te gebruiken in. Terstond na den val maakt God zelf dierenvellen en brengt Abel eene offerande, die zeker ook met een offermaaltijd gepaard ging. De kreophagie is bovendien zeker vóór den zondvloed in gebruik geweest, en zou, indien God eerst in Gen. 9:3 daartoe het recht had gegeven, vóór dien

*) Marck, t. a. p. bl. 279 v.

2) Voetius, Disp. V 191.

3) Calvijn, op Gen. 1 : 29, 9 : 3. Heidegger, de libertate Christianorum a re cibaria 1662. Voetnis, Disp. IV 387. V 194. Coccejus, S. Theo!. XX 17. Marei;, Hist. Parad. 341. Moor, Comm. III 35—38 enz.

Sluiten